Spoor vier

1 mei 2012

Ik stond op het perron van station Haarlem. Avondzon weerkaatste op het spoor. Er wás iets met dit perron, maar ik wist niet wat. Ik keek om me heen en zag dat ik in de buurt stond van spoor vier, een spoor dat enigszins verstopt ligt achter het middengebouw waar ’s avonds danslessen worden gegeven. Soms kun je er door de glazen ramen mensen zien salsadansen, midden op dat perron. Maar nu was het leeg. Op spoor vier stond een trein te wachten waar bijna niemand in stapte. Nu zag ik het: dit was de trein die ik altijd nam als ik op weg was naar mijn ouderlijk huis. Meestal kwam ik rennend aan, net op tijd voor de overstap. Als ik in de trein zat, belde ik mijn moeder, die me kwam ophalen van het station. Thuis zat mijn vader achter zijn bureau of hij werkte in de tuin. Mijn zussen waren er al of kwamen net aan. Er was een tijd, toen mijn zusje nog niet in Amsterdam woonde, dat ze al bij de voordeur stond te wachten en me om de hals vloog en al mijn verhalen wilde horen over mijn leven in de stad. We zaten in de tuin waar vroeger vijf grote kastanjebomen stonden. We aten verjaardagstaart of pakten sinterklaascadeautjes uit. We speelden op de piano. We sliepen in de kamers die ooit de onze waren. De bijkeuken rook nog steeds naar de appels die mijn oma vroeger plukte en waar ze appelmoes van maakte. Daar was toen nog een waterpomp, waarmee je echt water kon oppompen, maar die had mijn vader op een gegeven moment weggehaald. Ik zie nog mijn oma door de keuken dwalen, de witte ouderwetse kastjes met glazen raampjes opentrekken op zoek naar een schaar die we nodig hadden voor het maken van onze poppenkleertjes, toen het huis nog van mijn oma was en wij hutten bouwden in de schuur (als we geen poppenkleertjes naaiden). Er waren tijden dat er een kampeerauto op de oprijlaan stond waarmee we heel Europa afreisden, tot deze aan ouderdom overleed en werd vervangen door een iets te nieuwe Volkswagen-bus. Soms was er familie, soms namen mijn zussen en ik onze vriendjes mee (om de zoveel jaar weer andere) en soms waren we gewoon met z’n vijven. We probeerden bij te praten maar meestal spraken we maar wat door elkaar heen, van de hak op de tak. Als er vriendjes bij waren konden ze onze gesprekken nooit echt volgen, maar wijzelf waren daar heel bedreven in.
Dat alles overdacht ik, terwijl ik daar op het perron stond, in de buurt van spoor vier. Iets in mij wilde graag in die trein stappen, alsof die trein die bij vroeger hoorde me daar net zo makkelijk weer heen kon brengen. Maar ergens wist ik ook wel dat er allang andere mensen in dat huis woonden; ik had gehoord dat ze de bijkeuken bij de keuken hadden getrokken en daar één groot glimmend zwart geheel van hadden gemaakt met een kookeiland, en dat ze de schuur hadden omgebouwd tot een tweede woning. Ofzoiets.
Daarom stapte ik gewoon in de trein naar Amsterdam en ging naar mijn eigen huis, waar ik de televisie aanzette en reclames keek. Want zo’n soort avond was het wel.