Te pletter

10 februari 2012

De laatste dagen van het Binger brachten we door op het Film Festival in Rotterdam. We sliepen op een boot met een piano, de Amerikaan bracht zijn gitaar mee, maar er was helemaal geen tijd om muziek te maken, laat staan voor de kussengevechten waar de Amerikaan zich op had verheugd. Er moesten films gekeken worden, heel veel films, en daarnaast waren er de gezamenlijke ontbijtjes, lunches en borrels waar we onze vers gedrukte visitekaartjes en flyers moesten uitdelen aan zo veel mogelijk gegadigden. ’s Avonds waren er feesten waar de gratis drank ervoor zorgde dat het netwerken pas echt goed op gang kwam, maar natuurlijk hadden wij – mijn zus en ik – onze visitekaartjes niet in de zakken van onze cocktailjurkjes zitten, waardoor we maar lieflijk in het rond lachten, diverse filmmakers de dansvloer op trokken om met ons te lindyhoppen, en de rest aan onze producent overlieten.
We zagen best veel films (A la Cantabrica, A Dangerous Method, Black & White & Sex, De Jueves A Domingo, Four Suns, Hugo, Le Havre, Lena, Les Géants, I Wish, Nana, Rânia, Shame), evenzoveel Q&A’s en nog meer bodems van tequilaglaasjes (de Zuid-Amerikanen maakten er een sport van deze in extreem hoog tempo uit te delen aan wie er maar naast ze stond). De boot zagen we eigenlijk zelden, maar als we er waren, staarden we door de ronde raampjes naar de stad Rotterdam en zagen we dat het goed was. Zo sloten we het Binger af met eenzelfde soort marathon als waarmee we begonnen waren, en aan het einde van de week concludeerden we dat Four Suns de beste film was die we in tijden hadden gezien, tequila in Mexico thuishoorde, en we nog meer van onze klasgenoten waren gaan houden dan we al deden.
En toen vertrok iedereen weer naar zijn eigen land. De Hongaarse zei dat Featherlight in elk geval één iemand in het publiek zou hebben (zijzelf) en dat we dat maar tegen onze producent moesten zeggen, de Vlaming zei dat ik waarschijnlijk niet besefte hoeveel ik had betekend voor de ontwikkeling van zijn script, de Canadese vroeg of ze ons derde zusje mocht worden (dat kon helaas niet maar wel de vijfde, zeiden wij, we hadden immers al een derde zus en we hadden de Nederlandse al ingelijfd als vierde, nadat ze ons ‘I love you te pletter’ had gemaild), de Mexicaan zei dat ik maar snel naar Mexico moest komen, de Argentijn deelde een van zijn eeuwige boeddhistische blikken, de Engelse zei dat ze helaas niet bij het afscheid kon zijn omdat haar camera gestolen was (maar later mailde ze dat ze afscheid nemen haatte), de Amerikaan vroeg me ten huwelijk, en de Australiër zei dat hij zich nu eenmaal niet hechtte aan mensen en dat hij ons allemaal helemaal niet zou missen.
Dat leek me een goed uitgangspunt, dat van dat niet hechten, en ik nam me voor me daar in het vervolg meer in uit te blinken. Maar ook dacht ik aan dat citaat van Salinger: ‘Don’t ever tell anybody anything. If you do, you start missing everybody’.
Gelukkig hadden we alleen maar onze diepste zieleroerselen met elkaar gedeeld.