Oud huis

11 april 2012

Ik kwam een oud-huisgenoot tegen. Ooit woonden we samen in een heel groot oud huis aan een van de mooiste pleinen van Amsterdam-Zuid, samen met vijftien andere studenten, waar we allen metersbrede hoogslapers hadden en glas-in-loodramen die op het plein uitkeken. Hij was 23 en ik vond hem heel erg oud. Ik was net 19, ik droeg iets te korte rokjes en blote-buik-truien en schrok me elke keer een hoedje als ik werd uitgescholden in het verkeer. ’s Avonds dronken de huisgenoot en ik kaneelthee op zijn kamer en spraken over de foute vrouwen waar hij op viel (ze hadden meestal al een relatie en namen hem voor erbij), of over onze andere huisgenoten. Zo was er de huisgenote met de aanstekelijke lach die ’s nachts alle koelkasten leeg at (op elke verdieping één), met name de producten die over de datum waren, zodat wij er niet te veel last van hadden. Er was de huisgenote die de hele dag in haar badjas rondliep en geloofde dat twee tomaten per dag je van genoeg vitaminen voorzagen. Zij had een knipperlichtrelatie met de huisgenoot die zich op zolder had verschanst, daar dag en nacht snoeiharde techno draaide en altijd ‘nee’ blafte als je vroeg of de muziek wat zachter mocht. Meestal liep ze met behuilde ogen rond omdat het uit was, maar soms hadden ze seks die je drie verdiepingen lager nog kon horen. Ik begreep al dat gehuil niet zo goed, net zoals ik niet begreep dat al mijn huisgenoten rond de 25 waren en nog steeds niet aan de man. Zoals ik al zei, ik was 19, ik vond iedereen die ouder was dan ik vreselijk oud en ik was van mening dat als je een relatie wilde, je er gewoon een moest nemen. Het was in de tijd dat ik nooit een afspraak vergat, overal tien minuten te vroeg was, maniakaal kon schoonmaken (geen handige eigenschap in een studentenhuis met zeventien man en driehonderd muizen) en dacht dat het leven overzichtelijk en maakbaar was.
Hoe dan ook, de oud-huisgenoot stond vorige week dus ineens in de kroeg voor mijn neus, hij viel niet meer op foute vrouwen maar was vader van drie kinderen, waarvan één tweeling. Hij vertelde dat de huilende huisgenote de man van haar leven had gevonden en een cultureel uitzendbureau was begonnen en dat de technoverslaafde blaffer getemd was en twee kinderen had.
Ergens verwonderde ik me over al deze ontwikkelingen, niet omdat mijn oud-huisgenoten allemaal op hun pootjes leken te zijn terechtgekomen, maar omdat ze in mijn hoofd nog steeds allemaal in dat enorme pand woonden, samen met de driehonderd muizen, en uit hun glas-in-loodramen over het plein uitkeken, lange telefoongesprekken voerden in het telefoonhok in de kelder, overal hun afwas lieten slingeren en zich ’s avonds voor de spiegel opmaakten om naar de iT, de Roxy of de Sinners te gaan, op zoek naar hun toekomstige levenspartners.