Roze rozen

11 januari 2011

Op het bankje naast mijn huis zat iemand met warrige dreadlocks en armoedige kleren naar de punten van zijn schoenen te staren. Hij zat daar al een tijdje, zo te zien. Op het eerste gezicht leek het een zwerver, maar als je beter keek was het een jongen van nog geen twintig. Het kon best zijn dat hij gewoon een huis en twee ouders had, ergens in Oud-Zuid, en dat hij de zwerverslook iets te ver had doorgevoerd om zich tegen hen af te zetten. En dat hij nu aan het wachten was op zijn vriendinnetje, die in de afhaalstampottaria, waarvoor het bankje stond waarop hij zat te wachten, een zalmstampot aan het bestellen was, die ze bij haar thuis op de bank gingen opeten, waarna hij op zijn scooter weer naar Oud-Zuid koerste.
Maar het zou ook kunnen dat hij helemaal geen ouders had en geen vriendin, dat hij daar gewoon doelloos zat te zitten, op een van de eerste dagen van een jarenlang zwervend bestaan, waarbij zijn skateboardbroek steeds meer gaten zou vertonen, en zijn haar een broedplaats zou worden voor allerhande vogeltjes of andere dieren die tussen de dreadlocks een veilig heenkomen vonden.
Dat laatste dacht waarschijnlijk de vrouw die ineens voor zijn neus stond. Ze kwam net uit de Albert Heijn en had daar een bosje roze rozen gekocht, dat ze aan de jongen gaf. De jongen keek even op en glimlachte. Hij leek een beetje verbaasd, maar ook weer niet echt, want er was waarschijnlijk weinig wat hem van zijn stuk kon brengen. De vrouw zei iets tegen hem, ik kon niet verstaan wat. Misschien zei ze: ‘Het was mijn voornemen voor 2011 om af en toe bosjes rozen te geven aan mensen die alleen op een bankje zaten’. Of ze zei: ‘Bedankt dat je mijn portemonnee hebt gevonden en ik zou trouwens niet de zalmstampot nemen, want die is niet lekker.’ Of ze zei: ‘Hier, deze krijg je van me als je belooft dat je naar de kapper gaat.’
In elk geval nam de jongen het bosje rozen aan. Hij keek er even naar en legde het toen naast zich op het bankje. De vrouw vervolgde haar weg.
Ook ik liep verder. Toen ik omkeek, zat de jongen er nog. Hij staarde weer naar de punten van zijn schoenen; het bosje rozen lag naast hem op de bank.