Stof

12 juni 2012

Mijn stofzuiger had het begeven en ik mocht de antieke stofzuiger van de onzichtbare buurman lenen. Deze kwam uit – pak ’m beet – 1973 en zoog willekeurig hier en daar wat stof op. ‘Nee hoor,’ zei mijn buurman, ‘hij is helemaal niet oud. Vroeger werden ze nog van staal gemaakt.’ Vervolgens vroeg hij of ik het hem niet wilde kwalijk nemen dat hij de laatste tijd niet zoveel had gestofzuigd op de gang.
‘Ik had jicht,’ verklaarde hij. ‘Ik liep als een treurwilg in het rond.’
Of hij naar de dokter was geweest, vroeg ik.
‘Welnee,’ zei hij. ‘Ik kan zelf wel bepalen wat ik heb. Ik heb ze nog steeds allemaal op een rijtje, hoor.’
Ik beaamde dat hij nog steeds bij de pinken was.
‘Ja,’ zei hij. ‘Bij de pinken en de vaarzen.’
Ik keek hem vragend aan.
‘Dat ken je toch wel? De pinken en de vaarzen? Dat is van dat radioprogramma.’
‘Ik denk dat dat van voor mijn tijd is,’ zei ik.
‘O ja,’ zei de buurman. ‘Taal is zoiets vreemds. Als ik in het café zit, begrijp ik de helft van de tijd niet waar de mensen het over hebben. Ze praten wel, maar altijd half jargon en half verbasterd. Ik ken puzzelaars die hun kruiswoordraadsels niet meer kunnen invullen omdat er allemaal computertaal in wordt gebruikt.’
‘Wat vervelend.’
‘Ja,’ zei mijn buurman, die nooit veel sprak, maar ineens op dreef raakte. ‘En laatst hoorde ik een vrouw tegen haar man zeggen dat ze die avond zou gaan koken. “Wat wil je hebben van de Chinees?” vroeg ze vervolgens. Dat snapte ik ook al niet.’
Ik knikte begrijpend. We spraken nog wat over mijn kat, die altijd liever bij de onzichtbare buurman rondhing dan bij mij. Ik zei dat ik ooit nog wel wilde verhuizen, zodat mijn katten een tuin zouden hebben. De onzichtbare buurman zei dat hij ook ooit nog wel wilde verhuizen, iets wat ik me moeilijk kon voorstellen aangezien hij al minstens zo lang hier woonde als zijn stofzuiger oud was.
‘Dan heb ik wel een tuin, maar geen kat,’ zei de buurman peinzend. ‘Maar ik kan altijd nog naar de Chinees,’ besloot hij.