Weemoed

13 december 2010

Ik zat in de kroeg met iemand die zei: ‘Mijn favoriete emotie is weemoed’, waarop ik enthousiast riep dat dat voor mij ook opging, en dat ik rondom die ene emotie al zo veel verhalen had geschreven dat het nu wellicht tijd werd voor een nieuwe favoriete emotie, maar dat zich tot op heden nog niets had aangediend dat evenveel inspiratie bood als de weemoed, op melancholie na dan, maar dat had er iets te veel van weg.
Bovendien, december was altijd zo’n prachtige tijd om weemoedig te zijn, als je op je sneeuwlaarzen over bevroren stoepen glibberde met cadeautjes onder je arm en sneeuwvlokken in je haar. Als de kroegen zich vulden met andere weemoedigen en zich in de winkelstraten zangkoren vormden die liederen zongen over de geboorte van een heilig kind een paarduizend jaar geleden. Al die mensen die hoopvol kaarsen ontstaken in hun huizen en bomen optuigden met glinsterende versiering, in de hoop dat diezelfde huizen zich spoedig zouden vullen met uit het oog verloren dierbaren. En dan waren er nog de mensen die wederom hoopten op een Elfstedentocht, de val van het kabinet, of vrede op aarde, ook al iets om weemoedig van te worden. Want weemoed en hoop, gingen die niet altijd hand in hand, had je niet eerst weemoed nodig om hoopvol te zijn, en andersom?
Zo mijmerde ik wat af op deze laatste dagen van het jaar. Ook ik kocht cadeautjes voor mijn dierbaren en daarbij liep ik sinds jaren weer eens door de winkelstraat waar ik vroeger, met de universiteit op loopafstand, met grote regelmaat kwam. Ik zag mijzelf daar weer lopen, zo’n tien jaar geleden, toen ik nog studeerde, een literair blaadje in elkaar draaide en geen idee had dat ik het komende decennium vier romans zou gaan schrijven. Maar ook toen was ik al weemoedig en hoopvol, want ik had al genoeg om op terug te blikken en nog genoeg om naar uit te kijken.
En alsof het van me afstraalde werd ik toen ik door die winkelstraat liep aangeklampt door een jongen die uitriep: ‘Jij bent nog student!’, waarna hij, nadat ik hem een verbaasde blik had toegeworpen, vervolgde met een iets minder overtuigd: ‘Toch?’
‘Nee joh,’ zei ik verontwaardigd, waarop hij met zijn gezicht het mijne dicht naderde alsof hij mijn rimpels probeerde te tellen.
Al tien jaar niet meer, dacht ik erachteraan, maar ik liep alweer verder, want er moesten cadeautjes worden gekocht. Ik hoorde de jongen nog vertwijfeld roepen of ik niet tóch naar BNN keek, maar ik was met mijn hoofd alweer bij andere zaken, zoals hoe het toch komt dat het verleden vanzelf naar je toekomt als je er net over nadenkt. En ik vroeg me af waar ik op zou terugblikken als ik over weer eens tien jaar opnieuw door deze straat zou lopen, en of ik tegen die tijd al een emotie zou hebben gevonden die evenveel inspiratie bood als de weemoed. Een mooie opgave voor het nieuwe decennium.