Caroline

13 maart 2013

Caroline wilde een boek schrijven over haar leven, zo schreef ze me in een mail, en of ik haar daarbij kon begeleiden. We spraken af in het café van een nabijgelegen bioscoop, want Caroline zat in een rolstoel en de ruimte van de schrijftuin was met drie traptreden niet rolstoeltoegankelijk. Toen ik binnenkwam, zat Caroline al aan een cappuccino. Met een rietje, want doordat ze spastisch was aan haar armen en benen, was ze lichamelijk beperkt. Schrijven was ook niet heel makkelijk voor haar, legde ze uit: ze typte met één vinger en deed soms een dag lang over een alinea. Desalniettemin was ze vastbesloten dit boek te schrijven. ‘Forenzen’ wilde ze het noemen, want ze had het idee dat ze voortdurend aan het forenzen was tussen de wereld van de gehandicapten en die van de niet-gehandicapten. Maar misschien vond ze ‘stilzitten’ ook wel een goede titel. Ze lachte erbij. Ze was charmant, een pittig type, met kort haar en ondeugende ogen. Mannen flirtten in het voorbijgaan met haar, vroegen of ze even haar tas zouden aangeven. Ik vroeg of ze dat niet irritant vond, al die ongevraagde behulpzaamheid. Meestal wel, zei ze. 
‘Ik voel me niet beperkt,’ zei ze. ‘In mijn dromen kan ik lopen en fietsen.’
Ze hield van zeilen en van schrijven en dacht niet graag in beperkingen, ook al had ze in het echt nog nooit gelopen of gefietst. Ik vroeg haar wat ze allemaal wel en niet kon, en waar het boek over zou gaan. We spraken over haar leven, de liefde, over hoop en teleurstelling. Ik las verhalen van haar die ze al eerder had geschreven. Die waren verrassend eerlijk, direct en soms ook grappig. Ik had goede hoop dat dit een boek zou kunnen worden.
‘Ken jij veel gehandicapten?’ vroeg ze aan het einde van ons gesprek.
‘Jij bent de eerste,’ zei ik.
‘O, wat gek,’ zei ze. ‘Ik had het idee dat je er al heel veel mee te maken hebt gehad.’
We spraken nog eens af, hadden tussendoor intensief mailcontact. Ze bestelde een paar boeken van me, die ik voor haar signeerde. Ik schreef een column over haar voor tijdschrift Schrijven en liet die ter goedkeuring aan haar lezen. Ze voelde zich ‘een beetje gevleid’.
Ik vroeg haar of we onze derde afspraak eventueel een dag konden verzetten, mits ze nog geen vervoer geregeld had. Ze ging het even uitzoeken, mailde ze, en zou er donderdag op terugkomen.
Een paar dagen later had ik een droom over haar: ze zat bij me aan tafel maar ze zag er anders uit: ze had lang krullend haar dat over haar schouders viel. Ze straalde. Ze was niet gehandicapt. Ze leek niet helemaal op zichzelf en toch wist ik zeker dat zij het was. Dat moet ik tegen haar vertellen, dacht ik, dat ze ook in mijn dromen kan lopen en fietsen.
Nog eens een paar dagen later werd ik gebeld dat er bij de schrijftuin een kaart was bezorgd. Waarschijnlijk een rouwkaart, er zat een grijze rand om de enveloppe. De dag daarna werd de kaart bij mij thuis bezorgd. Caroline was dood. Ze was ‘geheel onverwacht’ overleden, stond er op de kaart. Op de donderdag dat ze mij zou terugmailen. Ik kon maar moeilijk beseffen dat onze derde afspraak er niet meer zou komen, evenmin als haar levenswerk.