Gebroken hart

13 november 2013

Mijn fiets had een lekke band, dus ik ging maar weer eens naar de fietsenmaker.
‘Wat een rotfiets,’ zei de fietsenmaker.
‘Ik heb hem van mijn ex gekregen,’ zei ik.
‘Dikke banden,’ zei de fietsenmaker.
‘Ja, dat is wel handig,’ zei ik.
‘Hoezo dan?’ vroeg de fietsenmaker.
Dat wist ik eigenlijk ook niet.
‘Heb je ook een gebroken hart?’ vroeg de fietsenmaker.
‘Nee, al een tijdje niet meer,’ zei ik. ‘Jij wel?’
‘Ja,’ zei de fietsenmaker. ‘Mijn vriendin is dood.’
Hij wees naar de muur, die volhing met condoleancekaarten. Er hing ook een foto van zijn vriendin tussen, met haar sterfdatum. Het was een half jaar geleden.
‘Jezus,’ zei ik.
De fietsenmaker vloekte ook wat, maar vooral tegen mijn fiets.
‘Ze had kanker,’ zei hij toen. ‘Al vier jaar. We waren tien jaar samen.’
‘Ze zag er helemaal niet ziek uit,’ zei ik, want ik had zijn vriendin vaak gezien in zijn fietsenwinkel, die trouwens meer op een garage lijkt dan op een winkel. Ze zat dan meestal op een van de antieke bankjes in de hoek, die vol zaten met smeer, en dan had ze het met de fietsenmaker over wat ze die avond zouden eten.
‘Nee, ze was een taaie. Zuid-Amerikaans bloed.’
Ik keek toe hoe de fietsenmaker een nieuw ventiel in mijn band draaide. Hij is de enige fietsenmaker die ik ken die je fiets gewoon repareert waar je bij staat. We spraken nog een tijdje over zijn vriendin.
‘Laat maar zitten,’ zei hij, toen ik hem geld wilde geven.
Hij gaf me mijn fiets terug. ‘Je probeert het wel te accepteren,’ zei hij. ‘Maar begrijpen doe je het niet.’
Een dag later had mijn fiets weer een lekke band. De fietsenmaker klaarde helemaal op toen hij me zag.
‘Hij is weer lek,’ zei ik.
‘Dat heeft je ex vast gedaan,’ zei de fietsenmaker.
Ik ging zitten op een van de antieke bankjes, waar zijn vriendin altijd zat. Er zaten twee Jordanezen tegenover me. Ze spraken vloeiend Jordanees; ik verstond maar de helft.
‘Ik dacht dat je met dat meisje was,’ zei de een. ‘En dat daarom je luiken de hele dag dicht waren.’
‘Nee joh,’ zei de ander. Hij droeg zwarte, puntige lakschoenen, een zwarte broek, die je beter ‘pantalon’ zou kunnen noemen en een zwarte leren jas. ‘Daar ben ik mee gestopt. Te veel regeltjes. Als ik regeltjes wil, ga ik wel naar een stadsdeelkantoor.’
De andere man zei iets terug, maar dat verstond ik niet. De fietsenmaker mengde zich ook in het gesprek. Ik kwam er helemaal niet meer aan toe om met hem over zijn gebroken hart te praten.
Daarom ging ik een week later nog een keer terug. Op de markt had ik een grote ruwe rozenkwarts gekocht. Die gaf ik aan de fietsenmaker.
‘Deze werkt goed bij een gebroken hart,’ zei ik.
De fietsenmaker stond verbouwereerd naar de steen te kijken.
‘Moet ik die dan op mijn hart leggen?’ vroeg hij.
‘Nee hoor,’ zei ik. ‘Leg maar ergens tussen de fietsonderdelen. Het geeft niet als je er niet in gelooft. Baat het niet, dan schaadt het niet.’
De fietsenmaker was eigenlijk iets te stoer voor zo’n steen. Maar hij keek erg blij en gaf me een zoen op mijn wang voor ik naar huis toe fietste. De steen zou hij mee naar huis nemen.