Glimlachen

13 september 2012

Ik las alle boeken van Lorna Byrne, omdat ik gevraagd was haar te interviewen op het Happinez Festival. Lorna Byrne ziet engelen en praat met ze. Tegen ons zegt ze dat we beter naar onze engelen moeten luisteren, ook al zien we ze dan niet. Ook schrijft ze dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn en dat naar iemand glimlachen op straat daadwerkelijk iemands leven kan veranderen. Ik besloot eerst eens te gaan oefenen met dat laatste, te beginnen bij mijn buren. Op het pleintje achter mijn huis kom ik regelmatig achterburen tegen, maar de meeste kijken me heel kwaad aan, omdat ik mijn fiets daar aan een lantaarnpaal zet. Af en toe vragen ze of ik soms geen box heb om mijn fiets in te zetten, net zoals zij. Maar ik heb geen box, ik heb alleen hun lantaarnpaal. Er was ook een tijd dat ze mijn banden lieten leeglopen. Op een gegeven moment heb ik daar een dame op aangesproken die me altijd het vuilst aankeek, of zij misschien enig vermoeden had wie dat toch deed? Ja, dat was natuurlijk die enge jongen met die motor, zei ze, die aan de drugs was. Daarna heb ik nooit meer een platte band gehad. De enige die altijd blij lijkt om me te zien is de kat die op het pleintje woont. De kat was van de vorige eigenaren van de snackbar onder mijn huis. Toen ze vertrokken, lieten ze de kat achter. Hij heeft geen naam, is van niemand en beschouwt het pleintje als zijn huis. Als het regent schuilt hij onder mijn fietstassen. Ik praat altijd wat tegen hem als ik hem zie en dan geeft hij enthousiast kopjes aan mijn fiets.
Maar goed, dat glimlachen. Ik kwam eerst de enge jongen tegen die aan de drugs zat, maar die leek me niet te zien. De volgende dag zag ik de dame die me altijd zo vuil aankeek, maar die deed tegenwoordig alsof we vreemden waren. Ik wilde het al opgeven toen er een oude man zijn huis uitkwam, in pyjama en op krukken. Hij zette een bak water op straat. De kat kwam aanlopen. De man zette een bak met brokjes neer, de kat begon te eten. Ik stapte op mijn fiets, en in het voorbijgaan lachte ik naar de man. Hij tilde zijn kruk op en zwaaide naar me, met kruk en al.
Die avond liep ik door mijn straat en ik zag een man die zijn fiets van het slot haalde die me een beetje deed denken aan Arie Boomsma. Ik heb niet zoveel met BN’ers, maar voor deze gelovige presentator en schrijver (hij bracht het boek Relishow uit bij mijn voormalige uitgeverij) heb ik altijd enigszins een zwak gehad, dus ik keek iets te lang naar de man die me aan hem deed denken. De man keek op. Het wás Arie Boomsma. Hij lachte naar me.
Een teken van God, dat kon niet missen.