Afscheid

14 februari 2011

Ik bezocht mijn ouderlijk huis voor de allerlaatste keer. Dit was het huis met de tuin waar ik als klein meisje madeliefjeskettingen reeg en van het dak van het kippenhok sprong. Waar ik kastanjes raapte van de vijf torenhoge kastanjebomen die waren ontsproten aan de kastanjes die mijn oom als klein jongetje in de grond had gestopt. ‘Silentium’ heette dit huis, naar een gladiolensoort die mijn opa zelf had gekweekt, want dat was zijn baan, nieuwe gladiolensoorten kweken. In het huis hing al sinds jaar en dag een groot stilleven met een vaas met witte gladiolen van deze soort.
Mijn opa moet sowieso veel van bloemen hebben gehouden. Vroeger legde hij met speciale gelegenheden een mozaïek in de voortuin van hyacintenbolletjes, waarnaar mensen uit de wijde omgeving kwamen kijken. Er stond een laddertje op de stoep, waar bezoekers op konden klimmen zodat ze beter zicht hadden. Mijn opa had mozaïeken gemaakt van Kennedy en koningin Juliana, dat alles lang voor ik geboren werd, want ik heb hem nooit gekend. Later nam mijn oom, een gedreven bioloog, schilder en pianist, de rol van mijn opa over. Ik zie hem nog geknield op de grond zitten, voor die gekleurde zee van bloemen. Wij mochten helpen de bolletjes van de hyacinten te ritsen. Ik herinner me dat de koningin kwam kijken, zij was erg onder de indruk van het schilderij met haar beeltenis. Niet veel later stierf mijn oom. Ik hield er de twijfelachtige overtuiging aan over dat kunstenaars altijd een vroege dood sterven.
Wij mochten graag denken dat de geesten van de overledenen nog ronddoolden in huize Silentium. De eerste paar jaar dat wij er zelf woonden, begroette mijn moeder ze altijd hartelijk bij binnenkomst. Later was dat niet meer nodig. Ze waren weg, zei ze, en kwamen alleen nog langs bij crisissituaties en belangrijke feestdagen.
De koper van het huis wilde eigenlijk niet alleen het huis kopen, maar ook het schilderij met de vaas gladiolen. Dat ging helaas niet, het was familiebezit. De koper maakte daarop foto’s van het schilderij; hij zou het laten naschilderen en op precies dezelfde plek hangen. Wij vermoedden dat de huisgeesten daar erg content mee zouden zijn.
We liepen nog één keer door het huis en zeiden gedag tegen alle kamers, op dezelfde manier waarop we dat vroeger deden als we op vakantie gingen. ‘Dag huis, dag tuin, dag opbergschuur.’
Ik liep nog even de tuin in, en raapte vijf kastanjes op van de ene kastanjeboom die nog overeind stond. Ik liet ze in mijn jaszak glijden met het idee ze te begraven in een pot aarde, om ze ooit, later, over te planten in mijn eigen tuin en te laten uitgroeien tot vijf torenhoge bomen.