Raar

14 oktober 2011

We doken een tijdje onder om aan ons scenario te werken, maar toen het heel mooi weer was, besloten we de zondag vrij te nemen. Ik fietste met wat Bingergenoten naar het strand. Wat roepen al die fietsers naar me, vroeg een van hen, de Amerikaan. Ik zei dat die laatste tegenligger ‘Kijk uit, tijger’ tegen hem had geroepen, en dat ik de rest liever niet herhaalde. Hij vroeg wat het probleem was. Ik zei dat hij niet kon fietsen. Dat het niet gebruikelijk was om heel langzaam en alle kanten op kijkend over het fietspad te slingeren, en dat als je dat wel deed, mensen dingen naar je gingen roepen. Hij zei dat hij dat vreemd vond en dat hij trouwens best kon fietsen. Hij kreeg bijval van de Belg, die vond dat Nederlandse vrouwen maar raar waren, omdat ze als een bezetene door de stad scheurden en iedereen inhaalden. De Australiër zei dat hij het vooral raar vond dat toen laatst de ketting van zijn fiets liep, een junk had aangeboden hem te repareren. Vervolgens sloopte de junk zijn spatbord eraf en vroeg daar tien euro voor.
Toen we aankwamen op het strand, was de Amerikaan teleurgesteld. ‘Ik dacht dat alle Nederlandse stranden koud, winderig en mistroostig waren,’ zei hij. ‘Maar dit is gewoon net een Californisch strand.’
Ik beloofde om nog een keer terug te gaan op een winderige en mistroostige dag. Daar verheugde hij zich op. Hij hoopte Nederland spoedig van haar meest melancholische en depressieve kant te zien, want tot nu toe vond hij het allemaal veel te vrolijk. En daar ging je geen betere scenario’s van schrijven.
Zelfs onze taal had iets grappigs. ‘Hoe noemen jullie die letter?’ vroeg de Amerikaan later die dag, wijzend op de ‘i’ op mijn toetsenbord. ‘Ie’, zei ik. ‘Maar hoe noemen jullie die letter dan?’ vroeg hij, wijzend op de ‘e’. ‘Die noemen we ‘ee’.’ ‘Echt waar?’ zei hij, steeds verbaasder. ‘Maar hoe noemen jullie die letter dan?’ Hij wees op de ‘a’. ‘Die noemen we ‘aa’,’ zei ik. Hij probeerde me na te zeggen. ‘Aaa.’
We namen afscheid van onze Bingergenoten. Met drie kussen, want dat hadden ze inmiddels geleerd. Weer een van die gewoontes van ons die ze vreemd vonden, maar wel accepteerden. Net zoals het feit dat we elkaar graag bloemen gaven op verjaardagen. ‘Flowers are for dead people,’ vonden de Zuid-Amerikanen.
Gelukkig was er één voordeel van dit land dat alle andere gebreken in één keer teniet deed. Dat je in Amsterdam voor 17,50 euro onbeperkt goeie films kon kijken, dat was op zich reden genoeg om je hier blijvend te vestigen.