Brand

15 juni 2011

Midden in de nacht werd ik wakker omdat er een oranje gloed in mijn kamer hing. Mijn eerste gedachte was: wat mooi. Mijn tweede gedachte was: brand! Ik schoot overeind en trok het gordijn open. Het pleintje achter mijn huis stond in lichterlaaie. Ik belde de brandweer en rende naar beneden, waar ik mijn onderbuurjongen aantrof. ‘Dat invalidewagentje is ontploft,’ zei hij. ‘Heb je die knal niet gehoord?’ Door zijn raam keken we naar het metershoge vuur een paar meter van ons huis vandaan.
‘Mijn fiets staat daar,’ zei ik na een tijdje.
‘Dat is nu even niet zo belangrijk,’ zei hij. Het was even stil. ‘Die nieuwe mooie?’ vroeg hij toen. ‘Waar staat die dan?’
‘Aan de lantaarnpaal,’ zei ik, en ik wees in de richting van de lantaarnpaal, zo’n twee meter van de plek waar het invalidenwagentje had gestaan.
‘Die fiets kun je vergeten,’ zei hij. ‘Ga maar weer slapen.’
Maar ik kon mijn fiets niet vergeten, en ook niet slapen. Ik trok een jas en schoenen aan en ging naar buiten, waar net de brandweer was gearriveerd. Zo’n tien brandweermannen en evenveel politieagenten stonden op het pleintje achter mijn huis. Ik schaarde me bij een groepje aangeslagen buurtbewoners die in pyjama’s en op sloffen toekeken hoe de brandweer het vuur probeerde te blussen, dat inmiddels de achterliggende gevels had bereikt.
‘Het is aangestoken,’ zeiden ze. ‘Het kan niet anders.’
Het duurde lang voordat de brand was geblust. Een brandweerman klom op een ladder de huizen in van de bewoners die hun huis niet meer uit hadden gekund. Een hondje blafte opgelucht.
Toen iedereen veilig was, vroeg ik aan een van de brandweermannen of hij misschien wilde kijken hoe het met mijn fiets ging. ‘Hij is niet verbrand,’ constateerde die. ‘Maar wel gesmolten.’
Mensen gingen langzaam weer terug hun huizen in. Ik lag nog een tijd wakker van een doordringende rooklucht die niet meer uit mijn slaapkamer te verdrijven was. Toen ik eenmaal sliep droomde ik over een dood hondje, en over een gesmolten kettingkast.
De volgende ochtend ging ik de schade bekijken. Op straat stonden nog steeds buurtbewoners, die daar vermoedelijk de hele nacht hadden gestaan. Vier gevels waren verschroeid, ruiten gebroken, balkonplantjes verkoold. Mijn fiets fietste niet meer.
Ik haalde ergens mijn oude fiets op, die ik al lang geleden in een minder vandalistische straat had gestald. De band was lek, maar verder deed hij het nog prima. De buurvrouw liet haar hondje uit. De zon scheen.