Droommonnik

15 mei 2012

Tien jaar geleden schafte ik eens een boek aan over droomyoga, geschreven door een Tibetaanse monnik. Het was in de tijd dat ik werkte aan De droomfotograaf en gemiddeld zo’n zeven dromen per nacht kon onthouden. Ik deed alle oefeningen uit de eerste helft van het boek, maar ik haakte af toen je in deel twee ook ’s nachts je wekker moest gaan zetten om vervolgens midden in de nacht Tibetaanse lettergrepen op lotusbladeren te visualiseren.
Hoe dan ook, ik belde de hoofdredacteur van een zeker tijdschrift om te vragen of ze het leuk vond als ik hier een artikel aan zou wijden. Ja, zei ze, maar nu nog niet, want er ligt al zoveel op de plank. Een maand of twee later belde ik haar weer eens op. Wat was dat ook alweer, droomyoga, vroeg ze. Yoga die je doet tijdens je slaap, zei ik. Oké, zei ze. Ik begon aan het artikel en googelde de Tibetaanse droommonnik, wiens boek ik in huis had. Bleek dat de Tibetaan de dag daarop in Nederland zou zijn, waar hij een driedaags seminar gaf. En dat ook nog eens in mijn eigen straat.
Zo kwam het dat ik twee dagen later mee mocht mediteren en chanten in een kerk in mijn straat. De man naast me – een jaar of zeventig, een spencer over een geruite blouse en een ribfluwelen broek – leende mij zijn multomap met mantrateksten. Zelf kende hij ze zo te horen al uit zijn hoofd. Ik vroeg me af wat de man had doen besluiten zich op het Tibetaans boeddhisme te richten en spiekte op zijn blaadje met aantekeningen, waar ik een aantal keer het woord ‘verlichting’ zag staan. Even dacht ik dat er alleen maar mensen van boven de vijftig op het seminar waren afgekomen, maar in de pauze zag ik dat er voor in de kerk een heleboel jonge mensen zaten, op kleedjes en kussentjes, omringd door thermosflessen, notitieboekjes met boeddha-afbeeldingen, rondslingerende schoenen en cassetterecorders – een soort backpackerscamping. Sommige gingen in de pauze even met de monnik praten, dan zaten ze aan zijn voeten knielend op een kleedje. Soms hing hij een gebedssjaal om hun hals. Inmiddels werd ik enigszins nerveus over het interview dat ik weldra met de monnik zou hebben. Ik had nog nooit knielend een interview gehouden.
Gelukkig werd er voor mij een stoel aangeschoven. De monnik ging in kleermakerszit met blote voeten op zijn stoel zitten en at een spinaziebroodje. Ik vroeg hem alles wat ik altijd al wilde weten. Zoals hoe je een druk leven toch combineerde met spiritualiteit. En wat hij eigenlijk van liefde vond. En van seks. Niet dat ik dat allemaal in het artikel zou zetten, maar ik was gewoon benieuwd. De monnik gaf overal antwoord op. Zo zei hij dat aantrekkingskracht slechts een behoefte was en dat het niet voor niets ‘falling in love’ en ‘madly in love’ heette. Je viel en werd gek. Liefde zelf ontstond uit openheid, niet uit het willen bezitten van de ander. Evenals seks. Maar nu zijn we wel erg ver afgedwaald van het onderwerp, zei de monnik. Ik beloofde hem dat het artikel nog steeds over droomyoga zou gaan. Ik zei maar niet dat ik altijd stiekem een beetje verliefd werd op heel wijze monniken. Hij had immers niet zoveel op met verliefdheid.