Wazig

15 oktober 2012

Ik zat in de wachtruimte van een ziekenhuis, afdeling oogheelkunde. Naast mij zat een ouder stel. De vrouw was later binnengekomen dan ik, maar werd eerder geholpen.
‘Dat is snel, het lijkt de Overtoom wel,’ zei ze terwijl ze opgewekt opstond. ‘Blijf jij maar hier Henk.’ Henk bleef hier. Hij bladerde in een tijdschrift uit de leesmap. Vijf minuten later stond zijn vrouw weer voor zijn neus.
‘We gaan naar de andere wachtkamer,’ zei ze. ‘Kom.’
Henk sjokte achter haar aan. ‘Het is jouw feestje,’ zei hij.
Hierna was het mijn beurt. Ik moest mijn hand voor mijn oog houden en letters oplezen, net als vroeger. Daarna kreeg ik oogdruppels waar ik wazig van zou gaan zien en werd ik naar een andere wachtruimte gestuurd, waar ik Henk en zijn vrouw weer trof.
‘Heb je die druppels nou al gehad?’ vroeg Henk.
‘Ja, al lang,’ zei ze. ‘Hier, ik heb een Donald Duck voor je.’
Henk nam de Donald Duck aan en begon er in te bladeren.
‘En, zie je al wazig?’ vroeg hij.
‘Het valt wel mee,’ zei de vrouw. ‘Het moet nog inwerken.’
‘Het is toch maar goed dat ik mee ben,’ zei Henk. ‘Stel dat je straks ergens tegenaan botst.’
Daar had ikzelf nog niet aan gedacht. Ik was gewoon op de fiets.
Ik werd weer bij de oogarts geroepen. Nog meer testjes, nu met oogdruppels in.
‘Ja, dat dacht ik al,’ zei de oogarts. ‘Je kunt nog wel goed zien, maar je spant je ogen te veel in. Koop maar een leesbril, dat helpt voldoende. Die kun je gebruiken als je leest en computerwerk doet.’
Een leesbril? Dat was toch iets voor vrouwen van boven de vijftig?
‘Je doet gewoon te veel je best,’ zei de oogarts. ‘Je wilt te veel zien. Het is een soort stress.’
Ik knikte. Ik had nooit gemerkt dat ik gestrest was omdat ik vreesde dat ik niet genoeg zou zien. Ik verliet het ziekenhuis. Henk en zijn vrouw waren al weg. Onderweg naar huis fietste ik langs de Hema, waar ik een leesbril uitzocht, een zo hip mogelijk model want ik was per slot van rekening nog geen vijftig-plus. Ik rekende hem af bij de kassa.
‘Afrekenen of terugbrengen?’ vroeg de caissière.
‘Afrekenen,’ zei ik.
‘U staat bij de klantenservice, vandaar dat ik vraag.’
‘O ja?’ zei ik.
De caissière die eigenlijk een klantenservicemedewerker was knikte en wees naar de tekst achter haar, waar ik heel vaag het woord ‘klantenservice’ in meende te herkennen.
‘O ja, nu zie ik het,’ loog ik.
Ik stopte de bril in mijn tas en fietste naar huis zonder ergens tegen op te botsen.