Tijd

16 juli 2012

Ik heb op zich geen problemen met ouder worden (ouder dan eerst bedoel ik, toen je nog bezig was boeken te kopen om je boekenkast te vullen in plaats van boeken weg te doen om ruimte te creëren, toen je vond dat je al best oud was maar de tijd tegelijkertijd stilstond omdat het leek alsof alles altijd hetzelfde zou blijven), maar er zijn een aantal dingen waar ik niet aan kan wennen. Bijvoorbeeld dat mensen die je niet echt kende maar die altijd op een geruststellende manier op de achtergrond van je leven aanwezig waren, er ineens niet meer zijn. Zoals Rutger Kopland, die zoveel emoties in taal wist te vangen: ‘haar hand die schrijft: liefste, ik leef nog en denk nog en schrijf nog aan jou en zou dat niet meer moeten doen’.
Of, iets langer geleden, Rudi van Dantzig, van wie ik laatst nog een brief vond die hij schreef na de boekpresentatie van Vederlicht, waarin hij zei dat hij soms snakte naar ontsnapping als hij geconfronteerd werd met al zijn herinneringen, ‘een overvloed aan déjà vu’.
En intussen worden er, terwijl zij die altijd op de achtergrond van je leven op een geruststellende manier aanwezig waren eruit verdwijnen, om je heen steeds meer baby’s geboren, waardoor er ineens allerlei mensen zijn die er eerst niet waren, en mensen niet meer zijn die er eerst wel waren. En nog bevreemdender, degenen die eerst baby’s waren, zijn ineens volwassen, zoals de dochter van de schrijver die op de boekpresentatie van Soms mis je me nooit nog onder de tafels doorkroop en die ik laatst toevallig op Facebook tegenkwam, waar ze in een verleidelijk jurkje bevallig in de camera keek, terwijl ik had verwacht dat ze hooguit op de basisschool zat. Zo zullen ook mijn vroegere oppaskinderen, de zoontjes van mijn wiskundeleraar, van wie ik me nog levendig herinner hun kots van de muren te vegen, inmiddels aan het studeren zijn. Misschien hebben ze ergens in een discotheek waar de tijd nog stilstaat (in elk geval voor hen) de dochter van de schrijver ontmoet, want zonen van wiskundeleraren en dochter van schrijvers, dat moet haast wel een goede combinatie zijn.
Mijn punt is dit: ik heb geen problemen met ouder worden, maar ik zou het gewoon prettig vinden als niet iedereen om me heen daaraan meedeed.
Deze week zag ik een oude geliefde, met wie ik tot zeven jaar geleden zes jaar samen was. Hij zei: ‘Weet je nog die foto in Thailand, toen je in dat groene hemdje met los haar zo sereen voor je uitkeek? Precies zo zie je er nu ook weer uit’.
‘Maar toen was ik nog een baby,’ zei ik.
‘Dat is toch het doel van het leven,’ zei de oude geliefde, die net een week in vipassana-retraite was geweest, ‘dat we uiteindelijk weer baby’s worden?’
Was dat zo? Ik vroeg me af wat Rutger Kopland daarvan zou denken. Op de weblog van een collega-schrijver las ik zijn gedicht Tijd. Niet de tijd gaat voorbij, schreef hij, maar jij en ik. Ik had er graag eens met hem van gedachten over gewisseld.