Amsterdam

16 september 2013

We zaten op een terras aan het water, mijn Turkse vriendin, een Turkse vriendin van haar en ik. Het was waarschijnlijk een van de laatste droge avonden van de zomer.
De vriendinnen spraken over Turkije. In Istanbul, vertelden ze, was je eigenlijk nooit thuis en je sliep maar een paar uur per nacht. Meestal ging je ’s avonds ergens heen, waar je vrienden tegenkwam en vrienden van vrienden, en dan ging je weer ergens anders heen, waar je nog meer vrienden en vrienden van vrienden tegenkwam, en je eindigde met die hele verzameling vrienden rond vier uur ’s nachts bij een Turkse snackbar (hoewel dat daar vast anders heet). Zoiets als afspraken maken bestond er niet: je kon wel proberen een afspraak te maken, maar het was maar zeer de vraag of degenen met wie je de afspraak gemaakt had, ook op de afgesproken tijd en plaats zouden verschijnen. Wel kwamen ze vaak opdagen als je geen afspraak had gemaakt.
Dit alles misten mijn Turkse vriendinnen in Amsterdam.
Mijn Turkse vriendin zei tegen haar vriendin dat ze de stad nog een kans moest geven, dat het vanzelf beter werd als je er langer woonde.
‘Hoe hebben jullie elkaar eigenlijk leren kennen?’ vroeg de vriendin van mijn vriendin.
We vertelden dat we begin jaren negentig penvriendinnen waren geworden, vanwege een of ander schoolproject dat scholieren in Turkije en Nederland aan elkaar koppelde. Ik wist niet meer waar we over geschreven hadden, maar mijn vriendin beweerde dat ik in een van mijn brieven had verteld dat ik een viool had die ik ‘Josephine’ noemde en dat ik weliswaar ook piano speelde, maar dat ik de piano nooit een naam had gegeven omdat ik een piano meer een meubelstuk vond. Hoe dan ook, we schreven jarenlang brieven, verloren toen het contact, en ontdekten via Hyves – toen net nieuw en een soort van hip – dat we bij elkaar om de hoek woonden. Mijn penvriendin was naar Nederland verhuisd, al dan niet dankzij mijn verhalen.
‘Dat is eigenlijk heel bijzonder,’ zei de vriendin van mijn vriendin.
We keken uit over het water. Ik zag een vallende ster, terwijl het vrijwel geheel bewolkt was. Het begon te regenen.
De vriendin van mijn vriendin zei dat ze ons mee wilde nemen naar een magische plek, vlak bij het terras. We liepen naar een doodlopend viaduct, onder het spoor, dat me nooit eerder was opgevallen.
‘Luister,’ zei ze.
Onder het viaduct hoorde je muziek. Het waren vreemde, sprookjesachtige klanken, alsof er een orgel onder water speelde.
‘Die muziek is er altijd,’ zei ze, ‘en niemand weet waar hij vandaan komt. Ik heb een keer een architect meegenomen; hij dacht dat het misschien kwam door de ijzeren buis en de gaten in de muren, waardoor het geluid van de treinen resoneert.’
We bleven een tijd staan luisteren naar de muziek, die geen moment hetzelfde was. Toen liepen we terug naar de stad, die zich verlicht en helder voor ons uitstrekte. Het was droog. Een zwarte kat kruiste ons pad.
‘Toch heeft Amsterdam ook iets,’ zei de vriendin van mijn vriendin.
Klokslag twaalf uur was ik weer thuis, in mijn huis dat omringd werd door de stad waarvan ik hield, een oude geliefde die ik nog steeds niet had doorgrond.