Stadsgekken

18 mei 2011

Op maandagochtend op de Noordermarkt passeerde ik twee vrouwen die aan het graaien waren in een stapel kleren.
‘Je ziet ze gewoon niet meer,’ zei de ene vrouw tegen de andere. ‘De gekke mensen. Vroeger had je altijd iemand die van die teksten stond te declameren op een podium, weet je nog? En je had die vent die in alleen een slipje poepiebruin door de Leidsestraat rolschaatste. Waar zouden ze gebleven zijn?’
‘Misschien zijn ze normaal geworden,’ opperde de andere vrouw.
‘Zou het? Waarom dan? De stad is echt niet meer wat-ie geweest is. Er is geen gek meer te bekennen.’
‘En Elvis dan?’ vroeg de andere vrouw.
‘Elvis is dood. Ik kwam zijn vrouw en kind laatst nog tegen op de Albert Cuyp. Zo dood als een pier.’
‘Jammer.’
‘Ja, jammer. Brood, ook dood. En Simon Vinkenoog. Van Gogh. Mulisch, ook zo’n apart geval.’
‘Zo gek waren die niet.’
‘Nee, maar beter dan niks. Ik mis ze wel een beetje hoor, de gekke mensen. Het wordt tijd dat er een nieuwe opstaat.’
‘Ja, vind ik ook.’
Het gesprek ging over op de kleren die in de kraam lagen uitgestald. Ik liep verder. Diezelfde middag fietste ik langs de Amstel. Vlak bij De Magere Brug liep een jongen over straat, met nat lang haar, alleen een boxershort aan, op blote voeten. Zo te zien had hij net een duik genomen. Waar hij heen liep was onduidelijk.
Maar ik was blij om hem te zien.