Kerst

20 december 2012

Ik ben een van die schijnheilige gelovigen die met kerstavond steevast naar de kerk gaan, maar ook alleen dan. Erg kerkvast ben ik ook al niet, want ik ga elk jaar naar een andere, een beetje net zoals het uitkomt, ook al bracht ik mijn kerstdagen vroeger zingend door in het katholieke kinderkoor. De afgelopen jaren vierde ik kerst al eens in een soort buurthuis in Bos en Lommer, toen ik daar een blauwe maandag woonde, en we zo ongeveer de enige bezoekers bleken, ondanks de aanstekelijke flyer met ‘iedereen is welkom!’ erop die we in de brievenbus hadden gevonden. Andere jaren stond ik in hartje centrum anderhalf uur in de rij te kleumen om ergens naar binnen te kunnen. Ook fietste ik eens met mijn moeder naar een dorpskerk terwijl mijn oma in huis achterbleef, omdat we de auto niet gestart kregen en oma niet kon fietsen. Toen we terugkwamen (een halfuurtje later al, want we hadden een slecht voorgevoel) lag oma op de grond met een gebroken schouder. De rest van de nacht brachten we door in het ziekenhuis (oma is inmiddels gezond en wel 96 geworden).
Eigenlijk wil ik al jaren naar de Nicolaaskerk op de Prins Hendrikkade, maar die hanteren een streng toegangsbeleid: je moet een maand van tevoren tijdens de mis je kaarten ophalen, als je dus nog druk bent met Sinterklaassurprises maken. Ook dit jaar keek ik een paar dagen voor kerst weer eens op de website, waarop net als voorgaande jaren stond dat alle kaarten allang verdeeld waren onder alle echte gelovigen. Maar dit keer liet ik het er niet bij zitten. Ik fietste naar de kerk en ging er net na afloop van de dagelijkse mis naar binnen.
‘Ik wil graag met kerstavond naar de nachtmis,’ zei ik tegen de mevrouw die kerkelijke parafernalia verkocht.
‘Hoe graag precies?’ vroeg de mevrouw.
‘Heel graag,’ zei ik.
‘Met hoeveel bent u?’
‘Met zes.’ Ik vertelde maar niet dat de helft van het gezelschap van oorsprong protestants of islamitisch was, want je wist het maar nooit met dat toegangsbeleid. De vrouw keek om zich heen of er nog meer mensen meeluisterden en boog zich naar me toe. ‘Ik heb drie kaarten teruggekregen,’ zei ze. ‘Als je heel graag wilt, mag je ze hebben.’
‘Heel graag,’ fluisterde ik.
‘Als je op tijd komt kun je in de rij nog rondvragen of er nog mensen kaartjes over hebben,’ zei de mevrouw, terwijl ze een geheim laatje opendeed en me de kaarten toestak. Ik stopte ze snel weg. Ik moest denken aan het Filmfestival in Cannes, waar mensen in galakleding in de rij stonden met bordjes in hun hand met daarop ‘kaarten gezocht’. Zoiets konden we natuurlijk ook altijd nog doen.
Toen ik thuiskwam, bekeek ik de kaarten nog eens goed en telde ik er niet drie maar vier. Wat een geluk. We hoefden nog slechts twee mensen naar binnen te smokkelen. Tjonge, het leek het Boekenbal wel.