Woede

21 augustus 2012

Ik zat in de trein van Utrecht naar Amsterdam. Aan de andere kant van het gangpad zaten drie meisjes. Eentje liet haar boodschappenlijst zien. Kijk eens hoe huiselijk ik ben, zei ze. Op de lijst stonden álle dingen die ze altijd in huis had. Die nam ze elke keer mee naar de supermarkt en alles wat op was, haalde ze opnieuw. De twee andere meisjes wierpen een blik op de lijst.
‘Heb jij altijd witte kapucijners in huis?’ vroeg de een. ‘En koriander?’
‘Crème fraîche schrijf je niet met “sj”,’ zei de ander.
‘Echt niet?’ vroeg het huiselijke meisje.
‘Nee, en filet schrijf je ook niet met twee “e’s”.’
Het huiselijke meisje wierp een blik op de lijst. ‘Oké, zei ze, misschien één “e” eraf.
‘En wat moet er dan in plaats van die “e”?’
Het huiselijke meisje dacht diep na. ‘Een “n”,’ gokte ze.
‘Sjalotten schrijf je trouwens ook niet zoals jij het hebt geschreven. Dan is het een meisjesnaam.’
‘Wel, toch?’ Het meisje pakte haar lijst erbij en tikte het woord in op haar telefoon.
‘Ja, zie je wel!’ riep ze uit. ‘Charlotten! Het is wel goed!’ Ze keek nog eens naar haar lijst. ‘En pannenkoeken?’ vroeg ze. ‘Is dat eigenlijk met of zonder “n”?
‘Volgens mij zonder,’ zei het spellingsmeisje.
Intussen was er een jongen de coupé ingelopen met opgeschoren haar, die met harde muziek aan aan het bellen was. ‘Ik heb die gast helemaal lens geslagen,’ zei hij. ‘Er kwam allemaal bloed uit zijn mond, man, dat spuugde hij in mijn gezicht, ik ben er nog misselijk van. Ik denk dat ik zo moet kotsen. O, en mijn gouden ketting ligt in de auto. Bij mijn moeder in West.’ Toen hing hij op. Hij draaide zich om en ging bij de drie meisjes op de stoelleuning zitten.
‘Weet je wat het is?’ zei hij. ‘Ze moeten niet met me fokken. Ik geef altijd iedereen geld, maar als ze met me fokken, dan sla ik ze verrot.’ Hij ging staan en hij deed voor hoe hij dat deed, hij sloeg in de lucht alsof daar iemand stond. ‘Kijk in mijn ogen,’ zei hij tegen de meisjes, terwijl hij met twee vingers naar zijn ogen wees. ‘Zie je die woede? Kijk dan! Zie je dat? Marokkanen slaan altijd door tot ze niet meer kunnen. Dat is gewoon zo, man, daarom moeten ze ook niet met ons fokken.’
Hij stond op en liep weer verder. Tegen niemand in het bijzonder bleef hij praten over zijn woede, en over bloed en dat hij misselijk was. Toen verdween hij weer in het halletje.
‘Dat doet hij wel vaker,’ zei een van de meisjes tegen mij. ‘Ik ben hem al eerder tegengekomen in deze trein.’
Niemand zei meer iets. Het boodschappenlijstje verdween geruisloos in de tas. De trein stopte bij Amsterdam Centraal. Ik stapte uit, tegelijk met de woedende jongen. Ik liep wat sneller dan normaal. Ik pakte mijn fiets en fietste over het stationsplein op een plek waar dat niet mocht. Een taxichauffeur hield me tegen.
‘Je mag hier niet fietsen,’ zei hij. ‘Ik wou dat ik je kon bekeuren.’
‘Het is oké,’ zei zijn collega. ‘Ik ken deze mevrouw. Zij mag het wel.’