Voortvarend

22 maart 2012

Ik ging naar een heel hip feestje. Er werden broodjes geserveerd met fuchsia en goudsbloem en drankjes waarvan ik de naam ben vergeten. Er speelde een hip bandje en het publiek bestond uit louter hipsters (een woord dat ik van de Amerikaan had geleerd, die er zelf ook een was). Het feestje was ter gelegenheid van de opening van een expositie, waar een vriend van mij zijn werk tentoonstelde.
Deze vriend had ik leren kennen toen we allebei achttien waren en de Kunstbende hadden gewonnen, ik met een verhaal en hij met een modeshow. In voorbereiding op de landelijke finale sliepen we in Hotel Arena (toen nog een hostel), waar hij vergezeld werd door een stuk of tien modellen. Op een goed moment kwam deze vriend (die ik toen nog niet kende) bij mij op bed zitten en zei: ‘Jij bent een plantje dat water nodig heeft’. Terwijl ik hem verbaasd aankeek, vervolgde hij met: ‘Zullen we samen douchen?’. Ik vond dat vrij voortvarende openingszinnen, maar we werden wel vrienden.
Nu, zoveel jaar en de nodige romans van mijn kant en kleding en kunst van zijn kant later, stond ik dus op deze expositie. Er kwam iemand naar me toe die vroeg hoe ik heette en toen zei: ‘O, Saskia?’ Vervolgens zwaaide hij naar de vrouw die naast me stond en vroeg of zij Vera was (maar dat was ze niet). Ik nam een hap van mijn broodje met viooltje en mijmerde wat over de vriendschap met mijn vriend de kunstenaar, die eens op mijn verjaardag met een enorm zelf geschilderd werk kwam aanzetten van een man die iedereen die naar hem keek nogal agressief aanstaarde. Het werk was één bij twee en niet echt te missen in mijn studentenkamer. Ik meen dat het geïnspireerd was op een foto van een ter dood veroordeelde gevangene. Op een goeie dag konden het schilderij en ik het niet meer zo goed samen vinden en zette ik het op zolder.
‘Wat is er toch met dat schilderij gebeurd?’ vroeg ik nu aan mijn vriend de kunstenaar.
‘Dat heb jij bij het grofvuil gezet,’ zei hij.
‘Nee hoor. Volgens mij ben jij het komen ophalen.’
‘Dan heb ik het bij het grofvuil gezet,’ zei hij. ‘Want ik heb het niet meer.’
‘Ik ook niet.’
‘Jammer,’ zei de vriend. ‘Het was eigenlijk een heel goed werk. Een tikje agressief, dat wel.’
‘Ja, dat wel.’
Ons gesprek werd onderbroken omdat er iemand op me afkwam die vroeg of hij me niet ergens van kende, ook best een voortvarende openingszin. Ik keek hem aan en merkte op dat ik hem óók ergens van kende. We spraken twintig minuten over basisscholen, voormalige woonplaatsen, hobby’s, banen en studieverenigingen, tot we erachter kwamen dat we elkaar vorige week nog uitgebreid hadden gesproken in zijn geluidsstudio aan de Herengracht. Zo gaat dat blijkbaar met het kortetermijngeheugen als je geen achttien meer bent.
Ik keek nog eens naar een van de kunstwerken van mijn vriend, dat voorzien was van de tekst: ‘Sex, drugs and rock-’n-roll are all very nice, but nothing beats a cup of tea and a good night of sleep’ en ik besloot dat het tijd was om naar huis te gaan.
Een week later ruimde ik mijn zolder op en kwam ik het schilderij van de agressieve gevangene tegen. Het kon natuurlijk verbeelding zijn, maar het was net of het naar me knipoogde.