De junkies

22 september 2010

Voordat mijn onderbuurjongen op vakantie ging, kondigde hij aan dat er tijdelijk mensen op zijn woning kwamen passen.
‘Wie dan?’ vroeg ik. ‘Zijn ze wel een beetje beschaafd?’ Ik hecht erg aan beschaafde onderburen, ongeveer sinds de vorige onderbuurjongen een psychiatrische patiënt bleek.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde mijn altijd optimistische onderbuurjongen. ‘Ik ken ze niet. Maar ze komen uit Amerika en ze staan op straat.’
Een paar dagen later arriveerden de nieuwe bewoners, met katten en al. Het meisje trof ik niet veel later aan in mijn gang, waar ze probeerde haar kat achter een verzameling schoenen weg te lokken nadat de mijne hem daar naartoe had gejaagd.
‘Het spijt me,’ zei het meisje, dat een zwarte Pulp Fiction-achtige pruik droeg en haar gezicht en lichaam had versierd met enkele tatoeages en piercings. ‘Ik zal proberen ze voortaan beneden te houden.’ Het meisje keek me aan met een troebele blik, die ik niet helemaal kon plaatsen. Maar voor ik tijd had daarover na te denken, was ze alweer uit mijn gang verdwenen.
Die dagen daarna kwamen mijn tijdelijke onderburen hun slaapkamer niet uit, laat staan hun huis. Ik vroeg me af wat ze aten. Door de kieren van mijn houten vloer stegen penetrante dampen op, die ik zelfs met uitgebreid doorluchten niet kon verdrijven. Mijn katten lagen bewegingloos op de bank, met ook al zo’n troebele blik in hun ogen. Ze spitsten alleen af en toe een oor als ze een van de katten beneden hoorden miauwen.
Hopend wat meer over mijn onderburen te weten te komen, keek ik door mijn keukenraam hun huiskamer in – dat kan zomaar in mijn huis. Daar stond een grote kist met glazen deksel die gevuld was met iets wat op enorme sigaren leek. Daarnaast nog een plastic opbergdoos die vol zat met pakketjes; ik kon niet precies ontwaren wát voor pakketjes.
Ik vond het merkwaardige zaken om vanuit Amerika mee naar Nederland te verslepen.
Mijn buren, die ik inmiddels ‘de junkies’ had gedoopt, veroorzaakten, op die geur na, weinig overlast. Als ik ze dreigde tegen te komen op de gang, schoten ze gauw hun huis in.
Maar vorige week werd ik ineens rond kwart voor tien ’s morgens opgeschrikt door een angstaanjagend gekrijs. Eerst dacht ik dat het van buiten kwam, maar al snel begreep ik dat dit geluid ín mijn huis werd geproduceerd. Teksten als ‘Waarom, waarom, waarom?’ en: ‘Je hebt me gestoken’, werden afgewisseld met een soort doodskreten.
Ik twijfelde tussen naar beneden gaan om polshoogte te nemen, en de politie bellen, maar koos uiteindelijk voor dat laatste. Ook belde ik mijn optimistische onderbuurjongen, die inmiddels weer in het land bleek, en die mij beloofde om de boel te onderzoeken.
Niet veel later belde hij me terug.
‘Het is opgelost,’ zei hij. ‘Ze was vergeten haar medicijnen te nemen. Ze is schizofreen.’
‘Echt waar?’
‘Ja, en ik heb toch maar gezegd dat ze nog een paar dagen mogen blijven. Ik vond het anders zo zielig voor hun katten. Bovendien hebben ze het al zo moeilijk. Ze hebben geen werk en ook al geen paspoorten meer. Maar inmiddels heeft ze wel haar medicijnen opgehaald.’
‘Oké,’ zei ik. Want ik vond het óók heel zielig voor de katten.
Ik klopte zelfs nog aan bij mijn tijdelijke onderburen, om ze het telefoonnummer van een poezenasiel in de buurt te geven.
‘Ik wil je nog mijn excuses aanbieden voor laatst,’ zei het meisje met de pruik toen. ‘Ik kan er niets aan doen. Soms zie ik dingen. Het was al heel lang niet gebeurd.’
‘Geeft niet,’ stelde ik haar gerust, ook al had ik inmiddels van de bovenbuurman vernomen dat het al vaker was voorgekomen, dat het meisje zelfs al een keer een ruit had ingegooid in huis.
‘Bedankt voor het telefoonnummer.’
‘Graag gedaan,’ zei ik, terwijl ik haar eigenlijk had willen vragen wat nu het wáre verhaal was.
Daar kom ik nu nooit meer achter, want inmiddels zijn de junkies met de noorderzon vertrokken, en woont de optimistische onderbuurjongen weer in het huis, alsof er niets is gebeurd.