Popcorn

25 februari 2011

We waren bijeengekomen in een grote zaal van de Londense universiteit. Zo’n driehonderd kunstenaars van uiteenlopende soort: acteurs, filmmakers, fotografen, schilders en schrijvers. We hadden een stoel met een uitklaptafeltje, precies zoals ze dat in films altijd hebben op de universiteit (ik heb ze in Nederland nooit gezien, maar misschien deed ik gewoon niet zo’n glamoureuze studie). Toen Julia Cameron ten tonele verscheen, steeg er een luid applaus op. Ik was niet de enige fan.
Julia was een stuk ouder dan op de achterflap van haar boek, maar ze was nog steeds even scherp, grappig en geïnspireerd. Ze vertelde over haar leven en haar schrijven. Hoe ze begonnen was met een baantje als postsorteerder bij de Washington Post en hoe ze daar maar niet echt serieus genomen werd, zelfs niet toen ze al lang journalistieke artikelen schreef. Hoe ze ontslag nam en aangenomen werd bij Rolling Stone, waarna haar carrière een vlucht nam. Hoe ze Martin Scorcese interviewde en daarna haar moeder belde om te vertellen dat ze de man had ontmoet met wie ze zou trouwen. Dat ze met hem trouwde en het scenario van Taxi Driver bewerkte, omdat ze het nogal vond rommelen. En hoe ze weer van hem scheidde, omdat hij het bed deelde met Liza Minelli.
Ze vertelde dat ze zo boos was dat ze plaatjes van haar ex-man en Liza boven haar computer hing om haar eraan te herinneren dat ze moest blijven schrijven, ook als ze even niet meer wist waarover. Niet lang daarna schreef ze The Artist’s Way, waarmee ze nu, twintig jaar later, nog steeds volle zalen trekt.
Ook vertelde ze over haar innerlijke criticus, die ze Nigel had gedoopt. Nigel was een homoseksuele binnenhuisarchitect die vrijwel alles wat ze schreef onder de maat vond. Zo werkte ze momenteel aan een literair dagboek, maar had ze het al bijna opgegeven omdat ze vond dat het vol stomme korte zinnen stond en te persoonlijk was, totdat haar uitgever opmerkte dat het briljant was, en dat dagboeken altijd persoonlijk waren en vol korte zinnen stonden. ‘Ah,’ zei ze toen. ‘This was a case of Nigel.’
Iemand vroeg haar of ze nog steeds ochtendpagina’s schreef, dat deed ze inderdaad trouw elke dag. Ze had nog nooit een dag overgeslagen, maar heel soms schreef ze ze ’s middags, als ze een vroege vlucht had. Waar laten we de ochtendpagina’s, vroeg een ander. Julia zei dat zij ze zelf altijd in een kluis bewaarde, en dat ze in een testament had laten vastleggen wat ermee moest gebeuren als ze dood was. ‘Cremate the morning pages first, then worry about the body.’
Twee dagen lang maakten we opdrachten en werkten in groepjes samen, waarna we elkaar ‘popcorn’ gaven, bemoedigend commentaar. ’s Avonds slenterden we door Londen, zaten we in rode dubbeldekkers, dineerden we aan de Thames en keken we kunst in de Tate, om ’s ochtends in alle vroegte te ontbijten in een van de vele Pret-a-Mangers en weer plaats te nemen in onze stoel met uitklapbaar tafeltje.
Nu weer thuis met de herinnering, een enorme dosis nieuwe creatieve energie en een schrift vol met popcorn.