De laatste keer

26 januari 2012

We hadden onze allerlaatste projectsessie rondom Featherlight. We hadden flink ons best gedaan op de nieuwe versie: de dialogen aangescherpt, de derde acte uitgediept en op verzoek onze personages vaker seks laten hebben. Vooral dat laatste viel in goede aarde, er was alleen nog wat discussie over de timing van de seks. Bepaalde scènes die eerst grimmig en droevig aanvoelden, hadden ineens minder impact omdat de personages vlak daarvoor nog bevredigende seks hadden gehad. Wanneer ze dan wél de liefde moesten bedrijven, wilden wij weten. Dat was nog een behoorlijk punt van discussie. Waar we de seks ook invoegden, het zou altijd gevoelsmatig invloed hebben op de scène daarna en er was helemaal niet zo veel ruimte in het script voor lichtvoetigheid en succesvolle toenadering.
We overwogen een van de seksscènes dan toch maar weer te schrappen. Dat kon wel, vond onze projectbegeleider, want het feit dat ze er zoveel trappen werden geklommen in het script, stond vanuit Freudiaans oogpunt ook symbool voor seks. Dat telde niet, vond de Australiër, álles was vanuit Freudiaans oogppunt een symbool voor seks. Uiteindelijk kwamen we overheen dat de hoofdpersonages het beste uit de kleren konden als ze deeg aan het kneden waren in de keuken, en een keer in de auto, nadat ze net ruzie hadden gemaakt. En bevredigend was het allerminst.
Nadat we deze kwestie en andere problemen hadden opgelost, blikten we terug op de afgelopen vijf maanden en de vooruitgang die we hadden geboekt met het scenario. Onze projectbegeleider zei dat hij zelden had meegemaakt dat er in zo’n korte tijd zo’n leesbaar script op tafel lag. De Australiër gaf aan dat hij het geweldig had gevonden met ons samen te werken en dat hij een beetje jaloers was dat we al zo veel bereikt hadden. We legden uit dat dat kwam omdat wij nu eenmaal met z’n tweeën waren: niet alleen konden we twee keer zo veel doen in dezelfde tijd, ook waren we tegelijkertijd elkaars grootste criticus en beste coach – we trokken elkaar regelmatig en om beurten uit een diep zwart schrijversdal. De Vlaming sputterde dat hij alle lof een beetje overdreven vond: we waren er nog lang niet, vooruit, tachtig procent was er, maar aan die laatste twintig procent moesten we nog keihard werken. Wij zeiden dat hij juist daarom zo’n dierbare teamgenoot was geweest, omdat we veel meer hadden aan kritiek dan aan lof.
Nu dat zo ter sprake kwam, had de Australiër ook nog wel wat aan te merken. Waarom zat er eigenlijk maar zo weinig dans in de film? Een dansfilm zonder dans, dat was immers net zoiets als een pornofilm zonder seks.
Wij noteerden in onze Moleskines: genoeg seks, te weinig dans. De Vlaming had gelijk: we hadden nog een lange weg te gaan.