Bloesem

27 april 2011

Er waaide een sneeuwstorm van bloesemblaadjes door de stad. Stadsconfetti, noemde een bepaalde krant de bloesem. Je vroeg je af hoe er zo veel bloesem van een paar bomen kon waaien dat de hele stad er door bedekt was. En waar dat toe diende, of die bomen echt hoopten dat er tussen de stoeptegels weer nieuwe bomen zouden ontspruiten, die dan nog meer bloesem zouden kunnen maken.
Hoe dan ook, de stad vierde het voorjaar. In het park zag ik een mevrouw die op een heel klein paard zat, dat aan de rand van het fietspad tussen de boterbloemen stond te grazen. Het paard was zo klein dat de vrouw bijna met haar voeten op de grond stond. Bij de boerderij in het park zag ik drie zwarte lammetjes van drie dagen oud, die nog niet echt konden staan en toch probeerden te huppelen. Een moederschaap duwde ze beschermend terug in het hooi. Ik zag een man die met een tamboerijn over straat liep en daar lustig op speelde, zonder zich iets aan te trekken van voorbijgangers. Verderop een Marokkaan op een scooter die aan de waterkant een stuk of zes ganzen brood uit een plastic zakje voerde. Ik zag hoe half Amsterdam zich weer een stukje stoep had toegeëigend door het af te zetten met krijt, loskrullend tape of witte verf. Een verdwaalde papegaai in de boom achter mijn huis. Mijn oude Jordanese bovenbuurman die met een grote zonnebril over straat liep en weggelopen leek uit een Tarantino-film. Mensen die met blote voeten over straat liepen. Kinderen met lekkende ijsjes. Honden die in het park in de vijver zwommen. Ik zag een wielrenner die was aangereden door een auto en midden op straat zat met twee agenten om hem heen en een vredige glimlach op zijn gezicht, alsof hij blij was dat hij eindelijk even kon zitten. Toeristenechtparen die kijkend op de kaart ruzieden over de juiste route. En dat alles dus bedekt onder een laagje stadsconfetti.
Op de een of andere manier was de stad altijd betoverend mooi in de lente.