Fictie en werkelijkheid

27 december 2011

Tijdens de Skype-sessie zei onze script advisor uit L.A. dat hij een paar keer had moeten huilen tijdens het lezen van het script. We hoefden nauwelijks iets te herschrijven, wat hem betreft. Maar onze producent was het daar niet mee eens: hij vond de laatste paar scènes te expliciet en uitleggerig. Tot grote verwarring van onze script advisor, die ons juist had aangemoedigd vooral niet te veel te raden over te laten. Onze producent zei dat dat nu eenmaal het verschil was tussen de Amerikaanse en de Europese visie. ‘Schiet maar twee versies,’ zei de script advisor toen, ‘leg ze allebei voor aan een testpubliek en vertel achteraf wie er gelijk had’.
Mijn zusje en ik waren een beetje in de war door het tegenstrijdige commentaar en besloten het script aan derden te laten lezen: onze favoriete Amerikaanse klasgenoot en een andere Nederlandse producent. Toen konden we even weinig anders doen dan afwachten – en dat kwam niet heel slecht uit zo rond de feestdagen. We schoven aan bij nog meer Binger-diners, gingen naar het theater, benutten onze Cineville-pas, zongen kerstliedjes en dansten op een kerstbal. Ook nodigden de ouders van de Amerikaan, die in Amsterdam waren voor de kerst, ons uit voor een dim sum lunch.
Tijdens die lunch zei ik tegen de moeder van de Amerikaan dat we vonden dat haar zoon er best goed uitzag in haar scrub shirt. Vervolgens vroeg mijn zusje aan de vader van de Amerikaan of hij ook altijd de hele dag sliep op familiefeestjes, net als de vader van het hoofdpersonage in het script van de Amerikaan. De vader stotterde dat hij helemaal nooit sliep op familiefeestjes, of eigenlijk toch wel, en dat dat het enige moment was dat hij eindelijk eens tijd had om te slapen. Ik zei dat Nederlanders vaak nogal direct waren en dat dat me speet, maar dat we er niets aan konden doen. Hij zei dat hij dat juist waardeerde aan Nederlanders en dat we tenminste ook een stevige handdruk gaven. Toen vroeg hij hoe we eigenlijk onze film dachten te financieren. Wij legden uit dat er bepaalde fondsen waren, zoals dat van De Oversteek, waarbij je, als je werd geselecteerd, negen ton gefinancierd kreeg. Of Amerikanen ook mee mochten dingen, vroeg de vader, zodat zijn zoon ook een kans had op die negen ton. Nee helaas, zeiden wij. O, zei de moeder, maar dat geeft niet, want dan kunnen jullie toch met hem trouwen? Wij zeiden dat we daar over na zouden denken.
De Amerikaan werd enigszins ongemakkelijk van het hele onderwerp, daarom vroeg ik aan zijn moeder of ze het eigenlijk jammer vond dat hij geen arts was geworden, net als zijn beide ouders. ‘Ja,’ zei ze. ‘Wij denken dat hij een uitstekende arts was geweest.’
‘Dat denk ik niet,’ wierp de Amerikaan tegen. ‘Want ik kan niet tegen bloed.’
‘Behalve dat dan,’ zei zijn moeder. ‘Soms kan ik gewoon niet geloven dat het mijn zoon is,’ vertrouwde ze ons toe.
‘Maar dat is toch logisch,’ zei ik. ‘Hij is immers Clamshell en komt uit een oceaan diep in de aarde.’
Inmiddels was de dim sum op, en dat was misschien maar goed ook. Soms liepen fictie en werkelijkheid door elkaar heen, en soms kon je ze beter gescheiden houden.
Nu maar hopen dat de Amerikaan nog steeds ons script wilde lezen.