Bij de kapper

27 oktober 2010

Ik leerde mijn cursisten dat ze goed moesten waarnemen en alles wat hen opviel direct in een opschrijfboekje moesten noteren, omdat de meeste ingevingen snel weer vervliegen. En goed luisteren, dat was ook onderdeel van het waarnemen. Ook zei ik dat ze moesten proberen tijdens het schrijven het gewone bijzonder te maken (en het bijzondere gewoon). Hierop mailde een cursist een paar dagen later enthousiast foto’s rond van een expositie van een fotografe die heel goed was in het gewone bijzonder maken. Ze fotografeerde namelijk stadsbeesten, die bestonden uit scheuren in muren of een vlek op de stoeprand waar ze een dier in zag. En daar schreef ze dan kleine gedichtjes bij.
Ik was blij dat mijn boodschap over waarnemen zo goed werd opgepikt en vierde dat met een bezoekje aan de expositie onder het mom van een kunstenaarsuitstapje.
Ook mijn cursisten hadden braaf hun kunstenaarsuitstapje gedaan. De een had in de tuin gewerkt, een ander was eindelijk naar de kapper geweest. Dat telde ook. ‘Het was heel anders dan normaal,’ zei de cursiste die naar de kapper was geweest. ‘Want de kapster bood me een tijdschrift aan, maar ik zei: “Nee dank u, ik heb een leesverbod”. Toen begon ze over haar leven te vertellen. Ze zei dat als ik er depressief van werd, van dat leesverbod, dat ik dan maar eens in het park daarachter moest gaan lopen. Daar liepen alleen maar depressieve mensen. Allemaal met een burn-out of gewoon neerslachtig. Als je naar hun gezichten keek, kon je precies zien op hoeveel milligram ze zaten, beweerde de kapster.’
‘Daar kun je zo een verhaal over schrijven,’ opperde ik, terwijl ik met een schuin oog naar mijn aantekeningen keek waarin ik ergens had geschreven: ‘Praatjes met de kapper: goeie verhaalstof!’.
Ik wist dat omdat mijn eigen kapper me altijd de prachtigste verhalen vertelt, terwijl hij op het eerste gezicht gewoon een standaard knappe kapper is in zo’n iets te hippe zaak. Zo vertelde hij eens dat hij, toen hij als klein jongetje in Suriname woonde, was gevallen en een lelijke infectie had gekregen aan zijn knie, maar dat zijn ouders geen geld hadden voor een dokter. Een paar weken later zag de wond er zo slecht uit dat zijn moeder hem toch maar naar het ziekenhuis bracht.
‘Het been moet tot boven de knie geamputeerd woren,’ concludeerden de artsen daar. Vervolgens had zijn moeder hem met spoed naar een kruidenvrouwtje in de jungle gebracht. Die had bladeren op zijn knie gelegd en bezwerende formules gepreveld. Een paar weken later kon hij weer voetballen.
En dat was nog maar een van de verhalen die ik mijn kapper had ontfutseld door niet in een tijdschrift te bladeren en zo nu en dan een vraag te stellen.
Ik was erg trots op mijn cursisten dat ze dit soort ontdekkingen deden nog voor ik het ze hoefde te vertellen. Ik zie een grote toekomst weggelegd voor deze groep.