Kabelbinders

28 juni 2011

Ik klopte aan bij de onzichtbare bovenbuurman om te vragen of hij misschien wat kabelbinders voor me had, omdat ik mijn fonkelnieuwe fietstassen aan mijn grotendeels gereanimeerde fiets wilde bevestigen (zie ‘Brand’). De buurman keek me, zoals altijd, ietwat schuw aan, maar ging me toen voor naar zijn zolderkamer, die tot de nok toe gevuld was met allerhande gereedschap (anders dan mijn zolderkamer, waar alleen maar boeken en een oude pooltafel staan). Hij haalde zeven pakjes kabelbinders tevoorschijn, in alle kleuren en formaten. Terwijl ik er een paar uitkoos, sneed mijn buurman zijn favoriete gespreksonderwerp aan.
‘Ik zeg altijd: ik hou best van mensen, ik hou alleen niet van mensen met een pleuriskarakter,’ vertrouwde hij me toe. ‘En dat hebben ze jammer genoeg allemaal. Kijk, het enige waar ik aan kan sterven, is aan mensen. Daarom mag ik ze niet zo. Het is maar goed dat ik nooit een oorlog heb meegemaakt, want ik zou ze allemaal vermoorden. M’n commandanten en gezagsvoerders als eerste natuurlijk. Maar weet je wat het is? Ik heb nu de 65 gehaald en dat doen ze me echt niet na. Zo ben ik ze toch nog te slim af.’
‘Ben je al 65?’ zei ik tegen mijn buurman, die er eerder uitzag alsof hij onlangs de 85 was gepasseerd. ‘Dan kun je voortaan goedkoop met het openbaar vervoer.’
‘Nee hoor,’ zei hij. ‘Dan moet je je personalia en zo opgeven. Daar begin ik niet aan. Mij pakken ze niet. Het zijn allemaal gluiperds.’
Mijn katten glipten langs mijn enkels de zolderkamer binnen. 
‘Gelukkig hou je wel van katten,’ zei ik.
Mijn buurman knikte, terwijl hij zorgvuldig alle kabelbinders weer opborg. ‘Maar die ene kat van jou is trouwens psychopaat. Ze kijkt me altijd veel te lang aan, met van die grote ogen. Dat duidt op gestoordheid.’
‘O?’ zei ik. Mijn kat had inderdaad een paar merkwaardige trekjes – zo was ze al sinds jaar en dag vegetariër en apporteerde ze graag olifantjes en pandaberen (maar niets wat op een muis leek) – verder gedroeg ze zich meestal voorbeeldig. ‘Dat doet ze bij mij nooit.’
‘En soms rent ze heel wild heen en weer.’
‘Ze is wel iets te vroeg bij de moeder weggehaald,’ bekende ik.
‘Ah,’ zei mijn buurman. ‘Net als ik.’
‘O ja?’
‘Ja natuurlijk. Waarom denk je dat ik zoveel kabelbinders heb? Bindingsangst.’