Knuffelheilige

29 oktober 2013

Wij gingen naar moeder Amma, ook wel bekend als de knuffelheilige. Het KNMI had een weeralarm afgegeven, precies op een van de zeldzame dagen dat wij in de auto stapten. Mijn yogalerares zat achter het stuur. Ze zei dat aartsengel Michaël zijn vleugels om de auto heen had geslagen en dat ons dus niets kon overkomen, maar we moesten wel onze gordel vastmaken. Het was best ver rijden. Af en toe vlogen er stukken boom over de weg, maar we kwamen zonder deuken aan op de plek van bestemming, een grijs industrieterrein ergens in het midden van het land. De hal waar Amma haar knuffels zou gaan uitdelen, was om tien uur ’s morgens al stampvol. Niemand had zich iets aangetrokken van het weeralarm. Wij kregen het nummer K3 aangereikt, wat best ver in het alfabet was als je ervan uitging dat dat met de A begon. Pas als ons nummer aan de beurt was, zouden we een knuffel krijgen. Daarom liepen we de komende uren maar wat rond. Mijn Turkse vriendin, die ook mee was, merkte op dat er veel hippies waren. ‘Ik had geen Prada-jassen verwacht,’ zei ze, ‘maar ook niet zó veel hippies.’ Zelf wist ik helemaal niet dat de hippie als soort nog bestond; de laatste keer dat ik er een zag, was rond 1995, toen ik er zelf nog een was. Maar hier hadden ze zich dus allemaal verzameld, in bordeauxrode en witte gewaden, met bloemen en vlechten in hun haar, op sokken, voorzien van gitaren, thermosflessen en in doeken gewikkelde baby’s. Sommigen waren aan het mediteren, anderen zaten elkaar hand in hand diep in de ogen te kijken zonder verveeld te raken. Intussen hadden wij een Indiase vegetarische lunch op en was nummer D5 aan de beurt. We gingen in de garderobe op de grond liggen, waar het lekker rustig was. We lazen wat in ‘Vergeef ons’ van A.M. Homes. We vielen even in slaap. We gingen naar buiten, waar we nog net niet omver geblazen werden. We luisterden naar het mantragezang dat uit alle luidsprekers schalde.
Om vier uur waren we aan de beurt. Het was de bedoeling dat we onze schoenen uitdeden en ons gezicht schoonmaakten met een tissue. We werden opgesteld in een rij, die langzaam het podium naderde. Een begeleidster vroeg of ik Nederlands was en ze streek een pluk haar achter mijn oor. Toen ik écht bijna aan de beurt was, moest ik alvast geknield een hand op Amma’s stoel leggen en toen mijn voorganger uitgeknuffeld was, kon ik meteen doorschuiven, heel efficiënt. Amma drukte me tegen zich aan en ik legde mijn wang op haar met mascara en foundation bevlekte witte sari. Ze fluisterde iets in mijn oor wat ik niet kon verstaan. Ook zei ze over mijn hoofd heen iets tegen een van de begeleiders – wat ik ook niet verstond. Ik kreeg een geel zuurtje, omhuld door een rood rozenblaadje en toen moest ik alweer opstaan.
Ik mocht nog wel even verderop op het podium zitten. Terwijl ik daar wat zat te zitten, gebeurde er iets merkwaardigs. De kleuren in de zaal veranderden en het geluid van de mantrazangers, en ik rook ineens de rozenblaadjes en de appels die werden uitgedeeld, ja zelfs de in plastic verpakte zuurtjes. Toen ik opstond, was het alsof er een XTC-pil insloeg. Ik wist niet meer waar ik had gezeten en liep op goed geluk naar mijn plaats. Verbeeldde ik het me nou, of lachte iedereen naar me? Ook was er iets met de lucht – ik ademde veel meer zuurstof in dan voorheen. En ik zát zo lekker, niet normaal. We bleven zeker nog een uur hangen in die ruimte die we al zes uur lang zat waren.
Toen we naar huis reden, passeerden we lange files aan de andere kant van de weg. Volgens de berichten stond alles rond Amsterdam vast, maar wij konden doorrijden zonder ook maar één keer stil te staan. Op de radio hoorden we dat alle Nederlanders goed geluisterd hadden naar het advies alleen de weg op te gaan als dat echt dringend noodzakelijk was.