Witte hemden

3 augustus 2012

Ik ging naar de fysiotherapeut. Ik zei dat dansen nog wel ging, maar dat ik moeite had met lopen.
De fystiotherapeut zei dat dat niet zo’n goed teken was. En dat ik voorlopig niet meer mocht dansen.
Gelukkig had ik het heel druk. Ik schreef vijf artikelen achter elkaar. Toen had ik ineens niets meer te doen. Ik zocht mijn vrienden weer eens op. Mijn echte vrienden, niet mijn dansvrienden. Ze waren blij me te zien. ‘We moeten vaker afspreken, zeg,’ zei een schrijversvriend die ik al een jaar niet had gezien. Ook zei hij dat we weer eens naar een technofeest moesten. Net als vroeger. Ik zei dat ik erover na zou denken, maar dat het voorlopig wel niet zou mogen van de fysiotherapeut.
Ik zag alle films die er in de bioscoop draaiden. Ik zag ook films die niet in de bioscoop draaiden. Zoals de director’s cut van Betty Blue (1986), en Footloose (1984), waarna ik me afvroeg: waar zijn toch de mannen gebleven die witte hemden dragen? – maar dat terzijde. En ook vond ik Hanekes Amour, goed voor de Gouden Palm dit jaar, ineens niet meer zo geweldig toen ik erachter kwam dat het einde rechtstreeks uit Betty Blue kwam – maar ook dat terzijde.
Nadat ik al die films had gezien, bezocht ik alle musea in Amsterdam. Of in elk geval alle musea die ik interessant vond. Zo zag ik de impressionisten in de Hermitage, de Stanley Kubrick-tentoonstelling in het Eye, en de expositie van paparazzifotograaf Ron Galella in Foam – die ik ook al in Berlijn had gezien, maar dat bedacht ik te laat. En een stuk of wat kerken, die bezocht ik ook. Gewoon net alsof ik op vakantie was.
Ik slenterde met mijn echte vrienden over een biologische markt, terwijl mijn dansvrienden verderop aan het dansen waren. Ik stond stil bij een kraam waar biologische crème werd verkocht met ginseng en aloe vera erin, die overal tegen scheen te helpen.
Shin splints,’ zei de verkoopster. ‘Dat zegt me niets. Maar ik weet wel zeker dat het ertgen helpt.’ Hoe ik dan aan die blessure kwam, wilde ze weten.
‘Van het dansen,’ zei ik. ‘Ze zijn het hier verderop op de markt aan het doen.’
‘O ja,’ zei de verkoopster. ‘Rock-’n-roll. Maar ze bakken er helemaal niets van.’
‘Het is geen rock-’n-roll,’ zei ik. ‘Het is lindyhop.’
‘Het is wel rock-’n-roll. Ik zal het toch zeker wel weten. Ik kom uit die tijd.’
‘Lindyhop komt uit de jaren dertig,’ zei ik.
‘Ja, en rock-’n-roll komt uit de jaren vijftig,’ zei de verkoopster. ‘Net als ik.’
‘Oké, u wint,’ zei ik, gewoon om ervan af te zijn. En dat ik toch niet zo’n interesse had in de crème.
Toen ik thuiskwam keek ik naar mijn boekenkast: nog zeker vijftig boeken die ik niet had gelezen. En evenzoveel tijdschriften in de tijdschriftenmand. Ik sloeg de Flow van deze maand open. Daarin stond Tom Barman in een wit hemd. Dat was in elk geval een lichtpuntje.