Met stip

31 mei 2012

Het Filmfestival in Cannes was een soort ministaat waartoe je alleen toegang kon krijgen met een speciale pas. De staat bestond uit bioscopen, rode lopers, strandtenten (voor elk land één) en hotels, en werd bewoond door knappe mensen die iets met film deden. Er golden wetten die iedereen scheen te kennen maar waar wij Cannes-leken al bladerend door een vuistdikke industry guide en bijbehorende neplakleren tas vol paperassen achter moesten komen. Zo ontdekten we algauw dat we helemaal niet de juiste pas hadden gekregen om de galapremières te kunnen bezoeken. Hij miste namelijk een rode stip. Maar de stiploze pas was alles waar we recht op hadden, zo verzekerden de dames achter de balie ons in het Frans. Ook weerlegden ze de argumenten van een Vlaamse collega toen zij aangaf dat de foto die ze op haar pas hadden afgedrukt iemand anders was. Ze was het wel degelijk.
De Amerikaan was al een keer of wat in Cannes geweest en wist zich een weg te banen naar het kantoor van een zeker staatshoofd, dat zijn pas na de nodige discussies van de felbegeerde rode stip voorzag. Hierna mochten we ons om beurten op het kantoor melden, waar we moesten vertellen wat we hier kwamen doen en welke films we hadden gemaakt, hetgeen online werd gecontroleerd. Pas daarna kregen we een pas met stip en waren we officieel staatsburgers met privileges. Dat betekende trouwens nog niet dat je zomaar naar alle films kon, daarvoor moest je eerst om acht uur ’s ochtends inloggen in het systeem om te proberen kaarten te bemachtigen. Maar om acht uur ’s ochtends lag meestal het hele netwerk van Cannes plat, omdat we niet de enigen waren die hun wekker hadden gezet. Eens stonden we om zes uur op om het internet aan te zetten, zodat we om acht uur toegang hadden tot de site, wat ons een felbegeerd kaartje voor Amour van Haneke opleverde. Soms hadden we geluk en vonden we midden op de dag nog ergens een online verdwaald kaartje. We zagen een paar heel goede films (met name De rouille et d’os die hier vanaf 14 juni in de bioscoop draait) en een paar slechte, die zich goed leenden voor het inhalen van slaap. Verder zagen we fantastische galajurken, uitbundig vuurwerk, een rijke man die ons zomaar honderd rozen gaf, een azuurblauwe zee (toen het niet regende), een handjevol sterren en een uitzinnige menigte toen Brad Pitt de rode loper betrad (voor wie wij, dat moet ik toegeven, speciaal ons haar leuk hadden gedaan). We borrelden in België, dansten in Zweden, zonnebaadden in Turkijke en volgden masterclasses in Qatar. We dronken biertjes van tien euro, proostten met groentesapjes met kaneel en gember, aten buffelmozzarella’s ter grootte van een pannenkoek maar lunchten stiekem met zelfbesmeerd stokbrood.
Er waren wat glamoureuze momenten, zoals toen we door de butler met de speedboot van een feestje werden opgehaald om op het jacht van de producent te dineren voorafgaand aan de galapremière. Er waren ook minder glamoureuze momenten, zoals toen we met paraplu’s door de onophoudelijke regen renden nadat een première was afgelast wegens een gevaarlijke storm (het slechtste weer in vijftig jaar Cannes, wist iemand ons te vertellen) of toen we met honderd man tegelijk de bus naar ons nogal afgelegen hotel probeerden te betreden.
Op de laatste dag brachten we, hondsmoe maar toch gelukkig, onze koffers naar de left luggage, waar ze werden geweigerd wegens ruimtegebrek.
‘Maar er is nog meer dan genoeg plek,’ zei de Amerikaan.
‘We moeten ons helaas aan het systeem houden,’ wierp de jongen achter de balie tegen.
‘Wat nou als je ergens in een hoek een wolkenkrabber van koffers bouwt?’ vroeg de Amerikaan. ‘Dan mag die van mij onderop.’
‘Dat is helaas niet mogelijk,’ zei de jongen.
‘Maar wat nou als jij als enige hier in Cannes de regels aan je laars lapt en gewoon onze koffers aanneemt?’
De jongen keek hem bedenkelijk aan.
‘Dit is je moment om het verschil te maken,’ zei de Amerikaan.
De jongen dacht daar een minuut of twintig over na en nam toen onze koffers aan.
Volgend jaar kwamen we zeker terug.