Sneeuwengeltjes

31 januari 2013

Ik was terug uit Hamburg en zat in de trein op weg naar het Filmfestival in Rotterdam. Ik probeerde te lezen in ‘De jacht op het verloren schaap’ van Murakami, maar werd afgeleid door twee jongens van een jaar of zestien, die in nogal plat Rotterdams met elkaar in gesprek waren.
‘Dus die gasten... allevier een boete voor sneeuwengeltjes maken. Negentig euro per persoon voor een sneeuwengel.’
‘Voor een sneeuwengel?’
‘Ja, ze waren over een hek van een bedrijventerrein geklommen omdat daar ongerepte sneeuw lag en toen belde iemand de politie. Die dachten dat het inbrekers waren, dus ze kwamen met honden. Een van die gasten heeft een halfuur geboeid met zijn bek in de sneeuw gelegen omdat ze de rest nog niet gevonden hadden. Maar ze vonden ze wel, anders hadden ze de honden losgelaten.’
‘Maar waarom zeiden ze niet dat ze alleen maar sneeuwengeltjes wilden maken?’
‘Dat hebben ze ook wel gezegd, maar pas op het bureau, toen ze verhoord werden. Ze waren strafbaar volgens artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht. Ken je dat?’
‘Uh-huh.’
‘Ik had laatst ook een boete, voor uitstekende delen op mijn scooter. Tweehonderdtwintig euro. Ik heb gezegd dat ik op mijn bek was gegaan doordat zo’n grasmaaier zijn gras had laten slingeren op de weg, dus dat hij eigenlijk verantwoordelijk was voor die uitstekende delen. Hoefde ik niets te betalen.’
‘Echt niet?’
‘Nee, je moet altijd bezwaar aantekenen. Ik heb nu weer een boete omdat mijn rem het niet goed deed, ook tweehonderdtwintig euro, maar ik heb gewoon gezegd dat hij het wel deed. En nog een paar boetes voor te hard rijden, maar daar kom ik niet onderuit.’
‘Duur man, al die boetes.’
‘Ja, ik ga nu ook minderen. Bea gunde ik het wel, maar...’
‘Prins Pils niet.’
‘Nee, Prins Pils niet. Prins Pils moet gewoon werken voor zijn pils.’
‘Zeg dat wel.’
De trein stopte in Schiedam, de jongens stapten uit. Ik sloeg ‘De jacht op het verloren schaap’ weer open en ging verder waar ik was gebleven.