Broer

4 september 2012

Ik was 21 toen ik een boekcontract kreeg voor Soms mis je me nooit. Ik vond dat absoluut niet jong. In de zomer interrailde ik met mijn zusje (toen nog geen regisseur) door Europa. We sliepen in nachttreinen met ons hoofd op onze rugzak en ontbeten met gevulde koeken uit automaten op stations. Onderweg ontmoetten we twee broers, met wie we verder reisden. Zij hadden een auto, dus dat scheelde een hoop nachttreinen. We trokken van surfstrand naar surfstrand omdat de broers surften. ’s Ochtends bakten ze eieren met spek voor ons en ’s avonds bouwden ze kampvuren en barbecues. Ze lasten een ‘Janneke en Marleen-dag’ in, omdat ze vonden dat ze te veel aan het surfen waren. Toen gingen we naar een Portugees winkelcentrum, waar we werden weggestuurd omdat een van de broers op blote voeten en met vijf plastic zakken voor een etalage was gaan zitten en ze dachten dat hij een zwerver was. Ook leerden de broers ons surfen, maar dat was geen succes: we werden door het Portugese Baywatch-team uit het water gehaald omdat we door een gevaarlijke stroming dreigden te worden meegezogen. We hielden van de broers alsof het onze eigen broers waren. Grote broer was heel slim en kleine broer was heel wijs. Als kleine broer over de camping slenterde zei hij dat hij zich een ongekerfd blok voelde. Grote broer kon op zijn hoofd staan zonder handen. ’s Avonds maakte ik in de tent aantekeningen voor Soms mis je me nooit. Ik vertelde dat er een Kaneel in voorkwam en een zusje Maria dat alleen maar met bepaalde mensen sprak.
Nadat we twee zomers hadden opgetrokken met de broers, verwaterde het contact. Jaren later kreeg ik nog eens een mail van kleine broer waarin hij schreef: ‘Er gaat niets boven nostalgie, verloren tijden zinnig geleefd’. Nu, nog eens jaren later, deed hij mee aan de Schrijftour. Van tevoren sprak ik hem aan de telefoon. We hadden elkaar meer dan tien jaar niet gesproken. ‘Weet je nog dat de boxen uit de auto op je hoofd vielen?’ vroeg hij. Dat wist ik niet meer. ‘Weet je nog dat we door de reddingsbrigade uit het water werden gehaald?’ vroeg ik. ‘En dat jullie eieren met spek voor ons bakten?’ Dat wist hij niet meer. ‘Ik denk dat we dat uit schuldgevoel deden,’ zei hij. ‘Omdat we jullie bijna hadden laten verdrinken.’
Toen ik kleine broer terugzag, was hij niets veranderd. Hij was inmiddels getrouwd en had twee dochters. Hij bleek schrijftalent te hebben. ‘Ik snapte nooit hoe je daar het geduld voor had, een boek schrijven,’ zei hij. ‘Maar nu zou ik het ook wel willen.’ Na afloop van de Schrijftour gaf ik hem Soms mis je me nooit mee. Een paar dagen later kreeg ik een e-mail van zijn vrouw. Ze had Soms mis je me nooit gelezen en ze was geraakt door het boek, omdat hun dochter heel erg op Maria leek. Ze beschreef de overeenkomsten en hoe het boek haar het gevoel had gegeven dat er wel degelijk mensen waren die hun kind begrepen.
Ik vroeg me af hoe het kwam dat ik zo’n vijftien jaar geleden op het idee was gekomen een personage te creëren dat zoveel jaar later de dochter bleek te zijn van kleine broer. Als je erover nadacht, was dat best vreemd.