Rommel

5 mei 2011
Op Koninginnedag zaten we om zes uur op mijn stoep. Het was al druk in de straat; mensen pakten hun dozen uit, vroege koopjesjagers keken mee over hun schouder. Naast ons ruzieden onze achterburen met onze andere achterburen over wie welk stukje stoep kreeg, net zolang tot de politie erbij moest komen om de boel te sussen – precies als de jaren daarvoor. Wij dronken intussen een eerste kopje koffie en onderhandelden met de eerste klanten van de dag. Alhoewel, we waren eigenlijk nog niet wakker genoeg om te onderhandelen en gingen met elk veel te laag bod akkoord. ‘Op is op en weg is weg’, was het motto van onze kraam. Ik was verbaasd over hoeveel troep er nog uit mijn huis tevoorschijn was gekomen. Oude draaitafels uit de vorige eeuw, langspeelplaten, een vleermuis die rondjes kon vliegen, souvenirs uit India. Alles waarvan ik was vergeten dat ik het überhaupt bezat, moest eraan geloven. Zo ook een deel van de inhoud van mijn boekenkast, aangezien nieuwe aankopen tegenwoordig in horizontale stapeltjes op de rest van de boeken lagen.
Een bekend kunstenares kocht onze tuinkaarsen, een stel dat ik herkende van tv was blij met onze houten puzzels, en een gevierd musicalster ging er met mijn exemplaar van ‘A Portrait of the Artist as a Young Man’ vandoor. ‘Het is ongelezen,’ bekende ik aan de laatste. ‘James Joyce valt niet te lezen,’ zei hij. ‘Komt vast door die stream of consciousness,’ opperde ik. ‘Die stream is nog wel te doen,’ zei de musicalster, ‘alleen zijn consciousness is gewoon niet te begrijpen.’
Naast ons verkocht een groepje Ajacieden tegeltjes met grappige Ajax-teksten erop. Tussen zes uur ’s ochtends en twaalf uur ’s middags verkochten ze er welgeteld vier en prezen ze met name onze waren aan: zo verkochten ze mijn hele collectie platen voor een tientje en voerden ze de prijzen van de draaitafels op (vijf euro per onderdeel scheen echt te weinig te zijn). Om twaalf uur ’s middags werd het bij ons rustiger en kwam er een ware run op de Ajax-tegeltjes. Tegen die tijd zaten wij wat te nietsen in de zon en lieten we de oranje menigte aan ons voorbijtrekken, terwijl we prosecco dronken die we van onze rood-witte geklede collega-verkopers hadden gekregen.
Pas om vier uur doekten we de boel op en telden we onze winst. Onze rommel bleek al met al nog driehonderdvijftig euro te hebben opgebracht. Plus één Ajax-tegeltje, dat we gratis hadden gekregen van onze buren.