Suikertante

5 november 2012

Ik had eens een suikertante. Ze was de zus van mijn opa en al heel erg oud. Ik was nog heel erg jong, dus ik dacht dat mijn tante een toverfee was. Alles in haar huis was van suiker en we mochten alles opeten. Het kan komen doordat ik nog zo klein was, maar haar zelfgemaakte kwarktaarten met aardbeien waren zo hoog als een bruidstaart. Als we die op hadden kregen we bonbons en als we die op hadden deden we puzzels waarmee we toffees en lollies konden winnen. In de suikerpot zat geen gewone suiker, maar kandijsuiker, dus als al het snoep op was, aten we dat. Of het nou Kerst was of Pasen of zomer of zomaar, we kregen altijd cadeaus. Niet van die nuttige cadeaus, gewoon van die echt goeie cadeaus waar je niets aan had.
Mijn suikertante was getrouwd met een melkboer, maar als iemand ooit over een kind zei: ‘die is zeker van de melkboer’, wist je wel zeker dat het niet over mijn oom ging, want hij kon geen kinderen krijgen. Dat was jammer voor mijn tante, want ze had heel graag kinderen gewild. Ooit vroeg ze aan mijn oma of ze er niet één van haar mocht hebben, mijn oma had er toch zeven. Maar mijn oma wilde er geen weg doen. ‘Het is geen nest puppy’s,’ zei mijn oma.
Dus had mijn tante de kinderen van mijn oma alleen af en toe te leen, net zoals ze ons zoveel jaar later weer te leen had als de kleinkinderen die ze niet had. Zelf had ze alleen twee hondjes, maar die werden lang niet zo oud als mijn tante. Mijn oom werd langzaam dement en wist niet meer wie we waren. Hij wist ook niet meer wie hij zelf was. Als we op bezoek kwamen, vroeg hij altijd: ‘Wie ben ik?’ Hij werd opgenomen in een verpleegtehuis waar hij in hoekjes van de gang tegen een muur plaste omdat hij de wc niet kon vinden.
Toch was mijn tante altijd vrolijk, leek het, al at ze zelf nooit iets van al de bonbons en de taart die ze ons voorzette. Later hoorde ik dat ze anorexia had, wat best vreemd was voor een suikertante, vond ik.
Mijn tante leefde nog heel lang in het huis waar alles van suiker was. Op een dag was ze dood. Nog jaren daarna geloofde ik dat ik haar een brief kon schrijven en dat ze dan zou antwoorden.