Violet

7 november 2011

Aangezien ik een schrijfweek had, kneep ik er een kleine week tussenuit om te dansen in Boedapest, terwijl mijn zus intussen verder werkte aan het scenario – een van de vele voordelen van een schrijfduo zijn. In Boedapest stak ik elke ochtend op de fiets de Danube over en zag ik hoe de bomen tegen de heuvels van Boeda rood en geel kleurden in de ochtendzon en zoveel uur later fietste ik dezelfde weg terug in omgekeerde richting en zag ik hoe het in Pest alweer licht begon te worden. Verder zag ik helemaal niets van Boedapest omdat ik zo’n tien uur per dag aan het dansen was op een boot, samen met een kleine duizend andere swingdansverslaafden die de hele dag niets anders deden dan dansen en over dans praten. En ik vroeg me af hoe het toch kwam dat ik dit thema vijftien jaar lang uit mijn leven had kunnen bannen en dat ik nu ineens fulltime aan een scenario werkte dat over dans ging, en in de tijd die me restte zelf aan het dansen was – ergens leek het allemaal heel logisch en toch begreep ik niet hoe ik de afgelopen jaren eigenlijk zónder dans had gekund, hoewel er ook tijden waren dat ik elke week stond te stampen op weer heel ander soort feesten.
In Amsterdam klaagden m’n Bingergenoten dat ze me nooit meer zagen.
‘Je hebt vorige week ook al gedanst,’ zeiden ze, als ik alweer een borrel of brunch moest afzeggen.
‘Ja, maar ik móét dansen,’ zei ik. ‘Ik schrijf over dans. Het is research.’
De Amerikaan vroeg wanneer we nou eindelijk door de mistroostige duinen gingen wandelen. En waarom ik eigenlijk altijd over hem schreef.
Ik zei dat ik nou eenmaal alles wat hij zei heel erg geestig vond. Hij nam daar geen genoegen mee.
Ik zei dat het kwam omdat ik stiekem verliefd op hem was.
Hij zei dat hij helemaal niet stiekem verliefd op mij was. En of hij eigenlijk al had verteld welke kleur ik was? Ik was paars (‘violet’), anders dan mijn zus – die was rood. Dat vond ik een frappante analyse, want er was een periode dat ik alleen maar paars droeg en mijn zusje alleen maar rood, en dat kon de Amerikaan helemaal niet weten aangezien hij ons toen nog niet kende.
‘Ik zie dat soort dingen,’ zei hij. Ook vertelde hij dat hij eens op een feest was, waar een meisje had rondgelopen dat iedereen in de ogen had gekeken om de mensen voor het eerst te ‘zien’. En dat ze tegen iedereen had uitgeroepen dat ze zo prachtig en liefdevol waren, maar dat ze tegen hem had gezegd: ‘Bij jou zie ik helemaal niets. Jij bent een groot zwart gat.’
Ik stelde hem gerust door te zeggen dat ik vond dat zijn kleur helemaal niet zwart was maar mintgroen, naar het scrub shirt van zijn moeder. Hij reageerde opgetogen. Ik beloofde hem dat we spoedig door de mistroostige duinen gingen wandelen. Maar eerst moest er nog geschreven worden. En gedanst. En geschreven over dans.
De Amerikaan dacht er het zijne van en vertrok naar India.