Regenboog

7 september 2010
In Italië was het elke dag 32 graden en zonnig, smaakten de tomaten naar tomaat, de pasta naar meer en de pizza’s naar ambrozijn. De geschiedenis lag nog steeds op straat, en de Italianen reden nog altijd op scooters en dronken staand espresso alsof ik nooit was weggeweest. Soms ook reden ze niet op scooters, maar in auto’s waar beide spiegels van loshingen, evenals de achterbumper, terwijl ze al toeterend en ‘vaffanculo’ uitroepend over de smalle bergwegen slingerden, die precies zo breed waren gemaakt dat er net niet twee auto’s op pasten (maar het was wel tweerichtingsverkeer).
Verder verzamelden de Italianen zich in augustus massaal op de smalle rotsstrandjes aan de Amalfitaanse kust, allemaal netjes op twee strandstoelen en onder een parasol, tot 1 september, toen was er aan de hele Italiaanse kust geen Italiaanse toerist meer te vinden. Hoe dan ook, wij vonden het wel gezellig, al die Italianen, ze spraken dan wel wat luid, maar wij konden ze toch niet verstaan, en wij hadden in het geheel geen last van ze.
Konden we ook maar geen Engels verstaan, dachten we, toen we voor het eerst op het strand naast Engelsen bleken te liggen, die nogal lang doorzeurden over de bruiloft die ze hadden georganiseerd, waarvoor ze in de Amalfitaanse bergen een villa hadden gehuurd waar de negentig man die ze hadden uitgenodigd niet zomaar welkom bleken. ‘En dat stond helemaal niet in het contract,’ klaagde de aanstaande bruid. ‘Je zou denken dat ze dat er wel inzetten, we betalen genoeg voor de villa.’
Ik zette een muziekje op, maar het Engelse geklaag zeurde dwars door de oortjes heen, en het woord ‘villa’ viel wel driehonderd keer. Ik keek nog eens naar het aanstaande bruidspaar en ik vermoedde dat de bruid gewoon niet zo heel blij was met haar bruidegom, en dat dat gecompenseerd moest worden met een dure bruiloft in het buitenland, waar dan in élk geval de zon scheen. Misschien liep er ergens in Engeland zelfs nog een favoriete ex rond, die de foto’s op Facebook diende te bekijken.
Een paar dagen later beleefden we onze eerste en enige regenachtige dag van de vakantie. En dan heb ik het niet over een motregenachtige dag, maar over een met-bakken-uit-de-hemel-regenachtige dag. Wij waren blij dat we eindelijk eens niet de planten water hoefden te geven in de tuin van ons bescheiden optrekje (een zware taak tijdens de vakantie), maar wie kwamen we tegen toen we even in een naastgelegen stadje wat boodschappen deden? De klagende bruid en haar negentig bezoekers (plus bruidegom), die in een bushokje stonden te schuilen. Haar witte jurk hing in de Italiaanse plassen, maar desondanks stond er een overtuigende glimlach op haar gezicht gebeiteld die het vast goed zou doen op de foto’s.
Op de terugweg naar ons huisje hield het op met regenen, en tekende zich een enorme stralend heldere regenboog af, helemaal van links boven in de bergen tot rechts onder in zee. Italiaanse kinderen stonden stil op straat en maakten er foto’s van met hun telefoon. En terwijl ik de regenboog opsloeg in mijn herinneringen voor later, dacht ik aan de Engelse bruid en ik hoopte dat zij de regenboog ook zou zien. Het leek me een gunstig voorteken voor een huwelijk.