Vetplant

8 oktober 2012

Ineens had ik zin om mijn huis te schilderen. Met name het plafond, dat schreeuwde erom om geschilderd te worden, net als de muren, plinten en kozijnen trouwens. Maar voor het plafond moest ik op een ladder staan. En ik had nog steeds een dansblessure waardoor ik behalve niet kon dansen ook niet op ladders kon staan (ontdekte ik toen ik dit een tijdje probeerde). Juist toen ik er de brui aan wilde geven nadat ik ongeveer twee van de zesendertig plafondplaten geschilderd had, stak de onzichtbare buurman zijn hoofd om het hoekje van het trapgat.
‘Jan,’ zei hij, want zo noemt hij me tegenwoordig, ‘ik heb wat voor je. Je moet het wel even komen halen, het staat in de slaapkamer.’
Ik liep de trap op, naar de slaapkamer van de onzichtbare buurman, die de laatste tijd niet meer zo onzichtbaar was. Laatst had hij zelfs voor het eerst in zijn leven (voorzover ik dat heb meegemaakt) iemand op bezoek. Feitelijk was het niet echt bezoek, het was iemand die zijn nieuwe televisie kwam bezorgen, maar tóch.
Ik was nog nooit in de slaapkamer van de onzichtbare buurman geweest. De slaapkamer laat zich wat moeilijk omschrijven. In elk geval was alles er minstens honderd jaar oud (behalve de televisie) en grotendeels bruin van kleur (ook het plafond), zagen zijn plinten en kozijnen eruit alsof ze eigenlijk nog nooit verf hadden gezien, stonden er overal dozen met gereedschap, en waren de vensterbanken voorzien van reuze slimme oplossingen voor lekkages: een soort houten gootjes die schuin naar beneden liepen, waardoor het regenwater precies in een emmer stroomde. Ook stond er over een in plastic verpakt bed (mijn kat had er ooit overheen gezeken en sindsdien bewaarde de buurman zijn bed voor god weet wanneer) een soort steigerbrug, zodat de buurman van de ene kant van het bed naar de andere kant kon lopen zonder over gereedschap te struikelen.
Die steigerbrug, die mocht ik dus lenen. Om het plafond te schilderen. De onzichtbare buurman had hem zelf gebouwd. Op de achterkant van de plank die je op twee identieke trapjes kon bevestigen, had hij drie stickers geplakt. Daarop stond in regelmatig handschrift: ‘plank voor op de twee trapjes’, en daaronder in hetzelfde regelmatige handschrift de toevoeging ‘trappetjes’, alsof hij niet had kunnen kiezen.
De dagen daarop stond ik op deze zelfgebouwde brug mijn plafond te schilderen. Aan de ex-geliefde die me kwam helpen schilderen en die de onzichtbare buurman nog van vroeger kende, vroeg ik wat ik de buurman cadeau zou kunnen geven als dank voor het lenen van zijn steigerbrug. ‘Een fles jenever,’ zei de ex-geliefde. ‘Of een asbak.’
Een week later bracht ik de plank en de trapjes/trappetjes terug naar boven. Aan de onzichtbare buurman gaf ik een vetplant in een bruingroene pot.
De buurman keek ernaar.
‘O ja,’ zei hij.
‘Het is een vetplant,’ zei ik.
‘Een soort cactus?’ vroeg de buurman.
‘Zoiets ja,’ zei ik. ‘Je hoeft er maar eens in de week op te spugen, dan blijft-ie nog leven.’
‘Dat vind ik wel geinig,’ zei de buurman.
Ik verliet het huis van de onzichtbare buurman, waar behalve een nieuwe televisie nu ook een nieuwe vetplant prijkte.