Pay it forward

9 augustus 2012

Ik zat te schrijven achter mijn laptop toen ik een ijselijke kreet hoorde. Ik keek uit het raam, er lag een meisje op straat. Verderop lag een fiets. Het stortregende. Mensen kwamen aanrennen met glaasjes water, vuilniszakken en paraplu’s. Het zag er niet uit alsof ik nog iets kon doen. Maar vijf minuten later lag het meisje er nog. Ze lag in een plas water die steeds dieper werd. Toen herinnerde ik me dat ik nog ergens een isoleerdeken had. Die werden ooit uitgedeeld toen in een hotel in Londen het brandalarm afging en we midden in de nacht in onze pyjama’s op straat stonden met het hele hotel. Ik trok de aluminium deken uit een laatje tevoorschijn en ging naar buiten. Er stond nog maar één meneer met een paraplu boven het meisje, alle andere mensen stonden ergens te schuilen en van een afstandje toe te kijken. Ik bedekte het meisje onder de deken. Ze zei dat ze Emily heette en steken in haar buik had. Ooit viel mijn zusje van haar fiets en die had ook steken in haar buik – ze bleek een gescheurde lever te hebben. Emily zag er een beetje uit zoals mijn zusje destijds, ze was heel bleek en bibberig. De meneer en ik hielden haar min of meer droog met onze paraplu’s, tot de politie kwam en met hun isoleerdekens een afdak probeerden te maken, waardoor er voortdurend sloten water op het meisje vielen, dat steeds meer begon te klappertanden. Het was maar goed dat de isoleerdeken uit Londen in elk geval wel over haar heen lag.
Toen eindelijk de ambulance arriveerde ging ik weer naar binnen, maar het schrijven lukte niet meer zo goed. Tien minuten later keek ik weer eens uit het raam. Ik zag dat Emily haar fiets pakte en langzaam wegliep. Ik rende de trap af, naar buiten. Ze maakte juist aanstalten op haar fiets te stappen.
‘Hé,’ zei ik. ‘Gaat het weer?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Ik maakte zoveel grapjes in de ambulance dat ik weer mocht gaan. Ik heb ook helemaal geen geld voor een ambulance.’ Ze zag nog steeds heel pips.
Ik nodigde haar uit voor een kopje thee. Ik ben toch freelancer, zei ik. Binnen zette ik de kachel aan, tot grote vreugde van mijn katten. Ik legde Emily’s kleren op de kachel en gaf haar een pyjamabroek en een T-shirt en een icepack voor haar beurse plekken.
Ze vroeg of ik freelance arts was. Ik zei dat ik freelance schrijver was. O, zei ze, ik dacht arts, vanwege die aluminiumfolie.
We praatten wat over katten. Ze zei dat ze een kat had gehad die Oscar heette, die was eigenlijk van een huisgenoot, maar hij zat altijd bij haar. Maar dat hij was meeverhuisd toen de huisgenoot ging samenwonen. Ook zei ze dat ze het maar stom vond dat ze van haar fiets was gevallen. En dat ze altijd grapjes maakte als het niet goed met haar ging.
Ik vertelde haar dat ik ook eens van mijn fiets was gevallen, toen het even hard regende, en dat in eerste instantie helemaal niemand me kwam helpen. Ik lag al een tijdje op straat, beduusd en half onder mijn fiets, toen er een vrouw langskwam die me overeind hielp, me naar de dichtstbijzijnde snackbar bracht en water en een icepack voor me haalde. Haar dochter was pas van haar fiets gevallen en die was zo goed geholpen dat de vrouw zich vanaf dat moment had voorgenomen nooit meer iemand op straat te laten liggen zonder te kijken of ze iets kon doen. En dat ik me op dat moment hetzelfde had voorgenomen.
Emily zei dat ze heel blij was dat die vrouw me toen had geholpen en dat ik haar nu weer hielp. En dat zij voortaan hetzelfde zou doen. Pay it forward, zei ze. Ze trok haar bijna droge kleren weer aan en ging naar buiten. Daar scheen inmiddels de zon.