Dresscode: avant-garde

Uit: AvantGarde (oktober 2006)

Het was ongewoon warm voor de tijd van het jaar. Mensen zaten zonder jas op terrassen, kinderen speelden buiten, poezen lagen op straat, zich koesterend in de laatste zonnestralen van de dag. Het was alsof de zomer nooit was opgehouden. Eden was naar buiten gegaan voor een avondwandeling, zonder bepaald doel – ze had het binnen niet langer uitgehouden. Haar huis lag betrekkelijk rustig als je bedacht dat ze midden in de stad woonde, maar zodra de buren hun ramen openzetten, drongen hun levens via de geluiden die bij haar naar binnen stroomden – muziek, babygehuil of een ritmisch, in een steeds hoger tempo krakend bed – plotseling haar ruimte binnen, en dan kon ze zich onverwachts eenzaam voelen. Zo ook vanavond. Het was al niet zo’n goede dag geweest. Ze was naar kantoor gegaan, waar ze nu al drie jaar bezig was hogerop te komen, zonder enig succes. Ze had seks gehad met haar baas, die tevens haar minnaar was, en die haar al drie jaar lang promotie beloofde. Ze was terug naar huis gelopen; het advocatenkantoor lag op loopafstand, waardoor het grootste deel van haar leven zich binnen een straal van een kilometer afspeelde. Toen ze bijna thuis was voelde ze dat een van haar oorbellen – ooit gekregen van de enige man die echt iets voor haar had betekend, daarna was het nooit meer helemaal hetzelfde geweest – loszat, en toen ze hem opnieuw wilde vastmaken, viel hij op de grond, vlak bij een put, waar hij natuurlijk in rolde. Vertwijfeld was ze blijven staan. Een man stootte haar aan, van het type dat je op straat aansprak en bij wie je het liefst ver uit de buurt wilde blijven: ‘Die ben je kwijt,’ zei hij. ‘Niks aan te doen.’ Ze keek op. De man lachte. Ze zag dat hij enkele voortanden miste. ‘Wist je dat als je iets kwijtraakt, je er altijd iets groters voor terugkrijgt? Dat is een wet.’
Aan die woorden dacht ze, nu ze, zonder oorbellen, haar avondwandeling maakte. Ze had niets teruggezegd tegen de voortandloze man die zich zo nodig met haar zaken moest bemoeien, maar nu vroeg ze zich af of hij misschien niet ergens gelijk had. Misschien was dat wel de reden dat ze vanavond naar buiten was gegaan. Ze had eerst bijna een hele fles wijn leeggedronken – ze had hard gewerkt en het was bijna weekend – en daarna had ze de plotselinge drang gevoeld iets te doen, alsof buiten iets of iemand op haar wachtte, de compensatie voor het verlies die de man haar had beloofd. En hoe langer ze liep, hoe meer ze ervan overtuigd raakte dat haar daadwerkelijk iets te wachten stond.

*

Ik staar naar het beeldscherm. Tot nu toe ging het schrijven automatisch, maar nu heb ik geen idee meer hoe dit verhaal verdergaat. De deadline is morgen; weliswaar heb ik de opdracht vier weken geleden binnengehaald, maar ik was druk met andere dingen en, toegegeven: ik mag de dingen graag uitstellen tot het laatste moment. Ik ben meteen na het eten achter mijn bureau gaan zitten en ben gaan schrijven zonder een uitgewerkt idee, zonder zelfs maar even in mijn aantekeningenboekje te kijken voor inspiratie. Nu sta ik op en loop ik naar het raam: naar buiten kijken helpt meestal als ik het niet meer weet, omdat er altijd iets te zien is. Ik woon immers midden in de stad. In dit geval is er, zie ik, aan de overkant van de gracht een feestje gaande: ik zie een paar mensen op het balkon staan, en achter de openstaande deuren zie ik nog net hoe de kamer daarachter langzaam volloopt met gasten. Het is een chic feest, zo te zien, voor de happy few, want iedereen heeft zich behoorlijk uitgedost. Het contrast met mijn eigen stille huis, waar alleen de computer een zacht ruisen voortbrengt, kan niet groter zijn. Ik zet de ramen open, die ik tijdens het schrijven liever dichthoud – ik hul mezelf graag in stilte als ik schrijf. Nu pas hoor ik de muziek en de pratende, lachende mensen. Ze hadden de buurt best even in mogen lichten, bedenk ik. Als dit feest net begonnen is, zal het voorlopig nog niet afgelopen zijn – en dat op een donderdagavond. Toch laat ik de ramen open als ik weer achter mijn bureau ga zitten. Ik schenk nog een glas wijn in: het is zo’n avond dat ik in een bepaalde roes moet verkeren om op ideeën te komen. De achtergrondgeluiden lijken daar voor deze ene keer aan bij te dragen.

*

Eden was nog steeds in de buurt van haar eigen huis, toen ze bleef staan. Haar benen waren zwaarder geworden van de wijn dan ze had gedacht. Of had ze gewoon spierpijn van de onmogelijke standjes waarmee seks op het werk nu eenmaal gepaard ging? In de jaren dat ze een affaire had, was haar baas niet één keer bij haar thuis geweest, laat staan andersom. Niet dat dat haar iets kon schelen. Ze zat er niet op te wachten dat er een man bij haar over de vloer kwam; zolang ze maar zo nu en dan wat lichamelijke aandacht kreeg, kon ze het vrijgezelle leven nog jaren volhouden. Ware liefde, daar geloofde tegenwoordig toch niemand meer in? Je kon veel beter zorgen dat je niemand nodig had.
    Ze keek omhoog: ze was stil blijven staan naast een groot pand, waarvan de voordeur openstond. Vanaf het balkon klonk er muziek, goede muziek, die haar wakker schudde uit haar gedachten. Hoe lang was het al niet geleden dat ze had gedanst? Meestal was ze aan het eind van de week zo moe dat ze een heel weekend slaap nodig had om er weer tegenaan te kunnen. Ze liep naar de overkant om te zien waar de muziek vandaan kwam: op het balkon stonden een paar mensen met glazen in de hand, druk met elkaar in gesprek, en nog net kon ze zien hoe de kamer daarachter gevuld was met mensen. Dansende mensen. Dit was geen saai verjaardagsfeestje waar iedereen gezellig in een kring van stoelen zat, en ook geen formele borrel waar niemand elkaar kende. Dit zag eruit als een echt feest, waar mensen schaamteloos dronken werden, elkaar hun levensverhalen vertelden en uitgelaten om elkaars nek vielen op de dansvloer. Het moest jaren en jaren geleden zijn dat ze op zo’n feest was geweest.
    Er liepen twee jonge vrouwen langs haar heen, die geen acht op haar sloegen. Mooi aangekleed waren ze, met korte, strakke jurkjes om een modellerig lichaam en precies de juiste hoeveelheid sieraden. Ze gingen het huis binnen, lachend, elkaars hand vasthoudend als kleine meisjes. Even aarzelde ze: zou ze achter hen aan lopen? Ze kon doen alsof ze erbij hoorde, even een stiekeme glimp opvangen van het feest, misschien een snelle cocktail drinken en dan weer weg. Maar ze verwierp het idee al voor ze het goed en wel had bedacht: na haar werk had ze zich in een joggingpak gehesen, een zwart, slank gesneden exemplaar van Chanel weliswaar – ze verdiende wel zo goed dat ze nooit ergens op bezuinigde –, maar het bleef een joggingpak. Make-up droeg ze ook niet en haar haar had ze na het douchen strak naar achteren gekamd en met een elastiekje bij elkaar gebonden. Al met al niet echt de uitstraling waarmee je een feest binnenwandelde waar de hip and famous zich verzameld hadden.
    Net toen ze besloot zich om te draaien en terug naar huis te lopen, werd er vanaf het balkon iets geroepen.
    ‘Hé! Ben je daar eindelijk?’
    Ze keek om zich heen: er was niemand op straat behalve zij.
    ‘Je zou toch al veel eerder komen?’
    Over de balustrade leunde een jongen, of misschien was het een man met een jongensachtige uitstraling – dat kon ook. Hij stond op de hoek van het balkon, alleen, en hij leunde gevaarlijk ver over de rand om haar aandacht te trekken.
    ‘Ik sta al eeuwen op je te wachten,’ zei hij verwijtend, terwijl hij een trek van zijn sigaret nam. ‘Waarom kom je niet binnen?’

*

Zo. Even pauze. Het zoveelste glas wijn inschenken. Het is tien voor twaalf; ik heb beloofd het verhaal morgen voor tien uur in te leveren. Dat betekent zeker nog de halve nacht achter de computer zitten, terwijl mijn versgeboren personage zich zo meteen gaat uitleven op een of ander feest. Het is oneerlijk. Maar ik kan haar moeilijk de rest van het verhaal laten mijmeren over haar verloren liefdes en verboden minnaars, in haar veel te net ingerichte appartement waarin alles precies op zijn plek ligt. Mijn hoofdpersoon heeft een nogal sombere inslag, valt me op, en het is de hoogste tijd dat haar iets overkomt wat ze nog nooit heeft meegemaakt, iets wat haar totaal van haar stuk brengt en waardoor alles anders wordt, iets, kortom, wat iedereen graag mee zou maken op het moment dat zijn leven in een impasse is geraakt. Eigenlijk benijd ik haar: ik houd zelf erg van onverwachte gebeurtenissen, maar het ziet er niet naar uit dat die vannacht nog zullen plaatsvinden – zoals onverwachte gebeurtenissen nu eenmaal nooit zomaar plaatsvinden in het echte leven, vooral niet als je erop gaat zitten wachten. Ik zal mijn verhaal af schrijven, de fles wijn leegdrinken en ten slotte ergens tegen de ochtend naar bed gaan, als het feest aan de overkant van de gracht allang is afgelopen.

*

Hij stond haar op te wachten in de hal.
    ‘Ze hoort bij mij,’ zei hij tegen de twee boomlange mannen die daar de uitnodigingen in ontvangst namen en die haar daarop vriendelijk toeknikten. Hij pakte haar bij de hand en nam haar dwars door de menigte heen mee de trap op. Het feest was veel groter dan ze had verwacht: overal waren mensen, en overal waar ze keek waren ruimtes met nóg meer mensen, te midden van tafelslange buffetten, champagne- en cocktailbars, dansvloeren, loungehoeken met witte hangbanken, een podium met dj – zelfs ergens midden in een kamer een vijver met een werkende fontein.
    Hij nam haar mee naar het balkon waar hij zojuist had gestaan. ‘Het is veel te warm binnen.’ Toen pas liet hij haar hand los en nam hij haar uitgebreid in zich op.
    ‘Ik ken jou helemaal niet,’ zei ze, toen ze haar ogen moest neerslaan omdat hij te lang naar haar keek.
    ‘Nee,’ zei hij. ‘Maar nu wel.’
    Er kwam iemand langsgelopen met een blad met dieprode drankjes, waarvan hij er twee afpakte en een aan haar gaf. Hij lachte. ‘Ik weet niet wat ze er allemaal in doen, maar ze smaken goed.’
    Misschien, dacht ze, doen ze er iets in waardoor je wildvreemde mensen van de straat plukt en op een feest neerzet. Ze nam een paar grote slokken achter elkaar. Gelukkig had ze die fles wijn thuis opengemaakt. Nu kostte het minder moeite om om te schakelen; de muziek die ook op het balkon nog diep doordreunde, nam langzaam bezit van haar lijf en ze begon zich wat losser te voelen. Het was alsof ze de man die tegenover haar stond al langer kende, ook al had ze zijn uitstraling – heldergroene doordringende ogen bij bijna zwart haar dat sluik langs zijn gezicht viel – in eerste instantie afstandelijk gevonden.
    ‘Ik ben hier niet op gekleed,’ zei ze. Ze leunde met haar rug tegen de balustrade en liet haar ene schouder nonchalant tegen de zijne leunen, terwijl ze nog een slok van haar drankje nam.
    Hij draaide zich half naar haar om en pakte haar bij de kin. ‘Denk je dat ik je binnen had gelaten als ik vond dat je hier niet op gekleed was?’ zei hij. ‘Ik zag je staan daar beneden, en het eerste wat ik dacht was: zij hoort hier te zijn, op dit feest.’ Hij liet haar kin los. ‘Je ziet er juist mooi uit. Een beetje sober misschien, maar daar weet ik wel iets op.’
    Er kwam weer een dienblad voorbij, met groene drankjes ditmaal; ze pakte er snel twee vanaf en zette het glas meteen aan haar mond. Munt.
    Hij greep in zijn binnenzak en overhandigde haar een pakje. ‘Hier.’
    Ze was te verbaasd om het open te maken. Voor ze kon reageren scheurde hij het papier eraf en opende het doosje. Op een wit satijnen kussentje lagen twee oorbellen: bijna exact de oorbellen waarvan ze er vandaag een was kwijtgeraakt, maar dan veel mooier. Ze zei nog steeds niets. Hij was degene die de sieraden uit het doosje haalde en ze, voorzichtig genoeg om haar geen pijn te doen, aan haar oren hing.
    ‘Ze zijn toch niet echt?’ was het enige wat ze uiteindelijk kon zeggen. ‘Of wel?’
    Hij streek een pluk haar achter haar oor, die blijkbaar uit het elastiekje was ontsnapt. ‘Ik had ze aan de gastvrouw willen geven, maar die is de hele avond zo druk dat ik haar nog geen moment heb kunnen spreken. Maak je geen zorgen. Ik ben sieradenontwerper; ik geef haar wel nieuwe.’

*

Ik ben opgestaan om even mijn benen te strekken. Ik heb te veel wijn gedronken. Merkwaardig genoeg heb ik allang niet meer het gevoel dat ik een verhaal aan het schrijven ben, het lijkt er eerder op dat het verhaal míj schrijft, als zoiets mogelijk is. Ik voel aan mijn oren; het is alsof ik de handen van de vreemde sieradenontwerper daar nog kan voelen, hoe hij zich licht tegen me aan drukte om de oorbellen vast te maken. Alsof ik zijn adem – een mengeling van munt, limoen en sigaretten – nog langs mijn gezicht voel strijken.
Ik ga bij het open raam staan voor wat frisse lucht. Het feest aan de overkant is nog in volle gang: het hele balkon staat vol met mensen en de muziek is nog wat harder gezet, alsof niemand in deze buurt vannacht wil slapen, en misschien is dat ook wel zo – misschien staan mijn buren ook van achter hun ramen verlangend naar dit feest te kijken alsof het een exclusief live tv-programma is. Iedereen ziet er ook zo onwerelds mooi uit, zoals die vrouw daar, die van top tot teen in satijngroen is gehuld, of die man daar, in die witte blouse, met dat zwarte haar dat zo mooi langs zijn gezicht valt. Die man. Ik blijf naar hem kijken. Dat haar! En die ogen! Ik probeer hem beter te zien, maar hij staat half verscholen achter de vrouw in het groen; bovendien ligt er een hele gracht tussen het feest en mijn huis.  
Heb ik niet ergens een verrekijker? Gehaast loop ik naar een kast en trek wat laden open, hoewel ik best weet dat ik er nergens een heb. Ik loop terug naar het raam en staar weer naar het balkon, maar ik zie de man nergens meer. Er zit niets anders op, ik moet erheen. Ik drink het laatste bodempje wijn op en controleer snel in de spiegel hoe ik eruitzie: dronken, maar nog beschaafd genoeg om ermee door te kunnen. Gelukkig ben ik ook in huis altijd goed gekleed – je weet nooit wie er onverwachts op bezoek komt.
Op straat voel ik me wankel, de frisse buitenlucht confronteert me met mijn roes, maar het kan me niet schelen. Waarom heb ik het gevoel dat ik dit al eerder heb meegemaakt? Als ik aan de overkant van de gracht sta, herken ik alles: het huis, de openstaande deur, de geluiden die vanuit het huis over straat klinken. Ik ga naar binnen. Er is niemand in de gang; ik kan gewoon doorlopen. Op de grond ligt een verdwaalde uitnodiging, die ik opraap. ‘I am young and I am happy’ staat er in witte letters op een zwarte achtergrond, en daaronder in kleinere letters ‘dresscode: avant-garde’.
Ik ga naar boven, me een weg banend tussen de mensen die op de trap staan of half over elkaar heen liggen, duidelijk in een grotere roes dan ik. ‘Wat zat er in die drankjes?’ hoor ik iemand vragen, een meisje dat boven aan de trap staat in een outfit die uit niet veel meer lijkt te bestaan dan wat ondergoed. Ze draait een rondje om haar eigen as. ‘Ik voel me geweldig!’ Ze kijkt me even aan. ‘En jou vind ik ook geweldig, of had ik dat net al gezegd?’
Boven kan ik verschillende kanten op, maar ik besluit gewoon rechtdoor te lopen. Op mijn gevoel dring ik me door de menigte, terwijl ik in het voorbijgaan een glas van een dienblad pak met iets felroods erin.
Dan zie ik hem staan. Vlak bij de balkondeuren leunt hij tegen de muur: witte blouse, zwart, sluik haar en doordringende groene ogen. Als ik voor hem sta, glimlacht hij.
‘Hé,’ groet hij. ‘Zullen we even buiten gaan staan? Het is hier veel te warm.’
‘Dat kan niet,’ stamel ik. ‘Ik kan hier niet blijven. Morgen heb ik een deadline… ik moet nog…’
Hij legt een vinger op mijn lippen – ‘sst’ – en neemt me mee naar buiten, het balkon op.
‘Waar was je nou ineens heen?’ vraagt hij, als we naast elkaar tegen de balustrade leunen, mijn schouder licht tegen de zijne. De bassen dreunen door in mijn buik. Ik durf hem bijna niet aan te kijken, bang dat ik elk moment weer thuis zal zitten, achter mijn computer.
‘En waarom heb je je oorbellen niet meer in?’ Hij buigt zich naar me toe, glijdt met zijn handen in mijn broekzak en haalt er iets uit. Als hij zijn handen opent, weet ik al wat erin ligt.
‘Zo,’ zegt hij, terwijl hij de oorbellen in mijn oren hangt. ‘En nu laat je ze in, hoor.’ Hij strijkt een pluk haar uit mijn gezicht en ik leg even mijn wang tegen zijn hand, als een poes die een kopje geeft.
‘Ze zijn niet echt…’ zeg ik dan. Ik voel aan mijn oren. ‘Toch?’
 Hij pakt mijn gezicht met beide handen vast en kust me op mijn voorhoofd. ‘Even echt als jij en ik.’