Zeldzaam zeewier

Uit: De koffer in (juli 2004)

Liam Mees stond nu bijna tien jaar voor de klas en er was weinig meer wat hem choqueerde. Dus ook niet het meisje dat vandaag vooraan zat en hem voortdurend vragend aankeek terwijl hij zijn verhaal over dominante en recessieve genen afstak. Ze droeg een extreem laag uitgesneden truitje en om haar hals een brede ketting – halsband was een beter woord – waarvan de goudkleurige steentjes het woord SEX vormden.
‘Ja, Véronique?’
Ze bleef hem vragend aankijken, zonder iets te zeggen. De rest van de klas keek nu naar haar.
‘Wat is er?’ vroeg ze.
‘Dat weet ik niet,’ zei hij. ‘Jíj hebt je vinger opgestoken.’
Ze keek verbaasd, alsof ze nu pas doorhad dat ze haar arm in de lucht hield.
‘O ja,’ zei ze. ‘Wat ik wou vragen… het is dus mogelijk dat je ouders allebei bruine ogen en donker haar hebben, en dat je dus toch geboren wordt met blond haar en blauwe ogen?’
‘Ja,’ zei hij. ‘In principe wel.’
‘Jammer,’ zei ze. Ze keek hem nog steeds met vragende ogen aan, alsof hij een geheim onthuld had dat ze niet helemaal begreep. ‘Ik dacht al die tijd dat nog ergens op de wereld mijn echte ouders rondliepen.’
De klas lachte, al was het maar omdat de les een andere wending leek te nemen.
‘Tja,’ zei hij. ‘Die kans bestaat natuurlijk evengoed nog.’ Hij schraapte zijn keel, wreef met zijn hand langs zijn voorhoofd, en keek de klas in. Eigenlijk waren al zijn leerlingen voor hem volkomen inwisselbaar. Hij kende hun namen, hij wist wie er lastig en wie er makkelijk waren, hij voelde feilloos aan wat de verhoudingen onderling waren – wie een oogje op wie had, wie de meeste macht had en welke enkeling aan het hele systeem wist te ontsnappen, op wie de sociale hiërarchie geen invloed had – maar toch had hij er moeite mee zijn leerlingen als individuen te zien. Voor hem waren ze slechts zijn gehoor, een gezichtsloze eenheid tot wie hij het woord richtte. Hij pakte de draad van zijn verhaal weer op.

Toch moest Liam Mees toen hij die avond in de Albert Heijn liep, even terugdenken aan het meisje Véronique. Hij stond in de rij achter een ander meisje, donker haar, waarschijnlijk donkere ogen, dat een spijkerrokje droeg dat zo kort was dat je er net niet onder kon kijken. Toen ze haar boodschapppen op de band had gezet en ze bukte om haar mandje onder de kassa neer te zetten, ving hij een glimp op van haar streepjes-onderbroek. Twee vragen gingen door zijn hoofd: wat bezielde het meisje om zo’n kort rokje te dragen dat mannen achter haar haar ondergoed konden zien?, en, daarop voortbordurend, waarom had het meisje Véronique een ketting gedragen in de vorm van het woord ‘SEX’?
Liam hield niet van mensen die hun best deden om op te vallen. Hij hield ook niet van mensen die hun best deden om níet op te vallen. In het gunstigste geval zag iemand er niet te opvallend en niet te onopvallend uit – zoals ook het uiterlijk van dieren altijd vanzelfsprekend was. Bovendien dienden mensen elkaar zoveel mogelijk uit de weg te gaan en alleen als het echt niet anders kon, zo goed mogelijk samen te werken om zo snel mogelijk weer uit elkaar te gaan. Liam Mees woonde boven een snelweg – vanuit zijn huiskamer kon hij net over de geluidsmuur heenkijken – en hij hield van de anonimiteit van snelwegen waarbij mensen ingekapseld in hun voertuig op veilige afstand van elkaar bleven. Hij hield niet van supermarkten, waar je gedwongen werd te dicht op elkaar gepakt in rijen opgesteld te staan tot je geholpen werd, waarbij iemand voor hem zich elk moment plotseling glimlachend om kon draaien, ‘Sorry, ik ben iets vergeten. Mag ik er even langs?’
Hij hield niet van dit soort sociale interactie. Hij hield ook niet van mensen die voordrongen terwijl ze net deden alsof ze dat niet doorhadden. Niet van de mensen die zegels spaarden en al hun zegels eerst natelden voordat ze betaalden. En al helemaal niet van mensen die hun mandje vollaadden met halve liters bier en vervolgens tegen de cassìere zeiden dat ze ‘maar vijf blikjes’ hadden. Eigenlijk hield Liam Mees helemaal niet van mensen.
Hij wierp een blik op zijn boodschappen: een pak spaghetti en twee bolletjes knoflook. De basisingrediënten voor wat met mooie woorden ‘spaghetti aglio olio e peperoncino’ heette, en met minder mooie woorden ‘knoflookspaghetti’. Dit at hij zeker drie keer per week, omdat het gemakkelijk was en niet duur. Bovendien had hij niemand in zijn omgeving voor wie hij zijn best moest doen niet naar knoflook te ruiken.

In zijn privé-leven had Liam Mees weinig omhanden. Hij stelde zich voor dat zijn leerlingen niet eens wisten dat hij er een privé-leven op nahield, en er waren dagen dat hij dat zelf ook geloofde. Hij kookte, hij at, hij keek proefwerken na. Hij keek televisie. Als er niets meer op televisie was, zocht hij op internet naar nieuw ontdekte zeewieren. Hij onthield hun namen. Soms ging zijn telefoon en was het zijn moeder. Andere keren ging de telefoon en was het niet voor hem. Dan zei hij zijn naam, maar werd er niets teruggezegd. Dan hing hij maar op. Deze avond vormde daarop een uitzondering: de telefoon ging, hij nam op, en hoewel er wel iets gezegd werd, bleef onduidelijk door wie.
‘Met Liam Mees.’
Even was het stil aan de andere kant van de lijn. ‘Liam Mees, dat klinkt als siamees,’ hoorde hij toen. En daarna een hoge, heldere lach. Het was een mooie lach. Hij bleef er even naar luisteren voordat hij ophing.

De volgende dag kondigde hij in de klas aan dat hij met vakantie ging.
‘De komende meivakantie ga ik een weekje weg,’ zei hij. ‘Zoals ieder jaar ga ik een week naar Zeeland. Aan de Oosterschelde zijn prachtige wieren te vinden.’
Hij wist niet waarom hij zijn klas over zijn vakantieplannen vertelde. Het interesseerde waarschijnlijk niemand waarheen en waarom hij een weekje wegging. Hij kon zich dan ook niet herinneren dat hij ooit met iemand anders dan zijn moeder over zijn vakantie had gesproken. In de lerarenkamer werd hem weleens gevraagd hoe hij zijn vrije dagen ging besteden, maar dan antwoordde hij altijd zo kort mogelijk met ‘Gewoon naar Zeeland, zoald altijd.’ Ergens had hij het vermoeden dat zijn openhartigheid te maken had met het telefoontje van gisteravond, hoewel hij ook niet wist wat het verband was tussen het een en het ander.
Vooraan stak een meisje haar vinger op. Het was Véronique. Ze droeg niet langer de ketting met het woord SEX, wel een roze shirtje met daarop in sierlijke witte letters de tekst ‘Barbie is a slut’. Ze keek hem bijzonder geïnteresseerd aan, haar hoofd schuin, haar lippen iets uit elkaar.
‘Waar precies gaat u heen aan de Oosterschelde?’

*

Toen Liam Mees op camping De vrijbuiter aankwam, had hij algauw het gevoel dat het daar anders was dan voorgaande jaren. Niet alleen was het toiletgebouw gerenoveerd en twee keer zo groot geworden – mannen en vrouwen werden voortaan verdeeld over twee aparte ruimtes – ook was zijn vaste plek, in de schaduw van een grote den, bezet door een klein iglo-tentje. Nu had hij zelf ook een klein iglo-tentje, maar ook weer niet zo klein dat het samen met het andere tentje in de schaduw van de grote den paste. Daarom besloot hij zijn tent in de schaduw van het pas gerenoveerde toiletgebouw op te zetten. Hij kon niet voorkomen dat hij, om uitzicht op de Oosterschelde te hebben, ook voor een deel uitkeek op de ingangen van de douches. In ieder geval zag hij zo niet de enorme bungalowtenten, waar mensen met hekwerkjes, tuinkabouters en plantenbakken hun eigen territorium hadden afgebakend. Mensen moesten natuurlijk zelf weten wat ze deden, maar hij was er niet dol op wanneer ze zo ongegeneerd hun eigen smaak ventileerden. Zelf richtte hij zijn tentje in volgens een prettige soberheid: een tweepersoonsluchtbed, slaapzak, een zaklantaarn die hij aan het plafond ophing, zijn albums om wieren in te drogen en in te plakken, zijn naslagwerken, enkele waxinelichtjes voor ’s avonds laat, als hij behoefte kreeg aan gezelligheid.
Toen hij klaar was, installeerde hij zich voor zijn tent, in een laag visssersstoeltje met een blikje cola dat nog over was van de heenweg en dat in de auto nog net niet helemaal warm was geworden. Hij wilde wat in zijn naslagwerken bladeren, maar voelde zich daar om de een of andere reden toch niet toe geroepen. Het was vier uur ’s middags, er scheen een warme zon op zijn benen terwijl zijn gezicht in de schaduw bleef, en hij bedacht dat hij op normale dagen nu net uit school kwam. Hij keek naar de mensen die zo nu en dan het toiletgebouw in en uit liepen, en als ze hem groetten, probeerde hij hen zo effectief mogelijk te negeren – het was hier de supermarkt niet. Ook vroeg hij zich af waarom de campingleiding besloten had een mannen- en vrouwengedeelte te maken, zouden ze klachten hebben gehad? Was het niet veel logischer mannen en vrouwen gemengd te laten toiletteren, thuis bracht toch ook niemand een scheiding aan? Dat mensen liefst zo min mogelijk andere mensen tegenkwamen, daar kon hij inkomen, maar als hij dan toch iemand moest tegenkomen, dan liever een vrouw.
Op dat moment viel zijn blik op iemand die uit het iglo-tentje kwam gekropen dat zo brutaal op zijn vaste plek was neergezet. Hij kon weinig zien, behalve dat het iemand was met een kort rokje en een bikinitopje aan, van wie de haren gedeeltelijk voor het gezicht hingen, voor zover dat al niet bedekt was door een enorme zonnebril. De vrouw stond op, streek haar rokje glad, en kwam zijn kant op gelopen. In plaats van het toiletgebouw in te gaan, liep ze net zolang door tot ze voor hem stond. Ze deed haar zonnebril af.
‘Meneer Mees, daar bent u dan eindelijk.’
‘Véronique,’ zei hij. Hij zette zijn cola naast zich neer, om met zijn hand langs zijn denkbeeldig bezwete voorhoofd te wrijven.
‘Ik ben hier al twee dagen. Er is maar weinig te beleven hier. Mag ik gaan zitten?’ Ze ging in kleermakerszit tegenover hem zitten, zonder zich te bekommeren om haar korte rokje. Ze streek haar haar achter haar oren, en zette haar zonnebril weer op.
‘Wat kom je hier doen?’ vroeg hij. ‘Waar zijn je ouders?’
‘Thuis. Ze vinden me een “opstandige puber”.’ Terwijl ze die woorden uitsprak, maakte ze met haar vingers een overdreven gebaar van aanhalingstekens. ‘Daarom hebben ze me geld gegeven om met vriendinnen op vakantie te gaan. Mag ik een slokje van uw cola?’ Ze pakte zonder op zijn antwoord te wachten het blikje op, en nam een paar slokken. ‘Gatverdamme, dat u dat nog drinkt,’ zei ze. ‘Heeft u eigenlijk kinderen?’
Liam Mees schudde langzaam zijn hoofd.
‘Jammer. U lijkt me een goede vader.’
‘O ja?’
‘Ja.’
Het was een tijd stil. Liam Mees probeerde langs Véronique heen de Oosterschelde te zien, terwijl hij merkte dat zij hem ongestoord glimlachend aan bleef kijken.
‘Je bent op mijn plek gaan staan,’ zei hij ten slotte. ‘Normaal gesproken sta ik altijd onder die boom.’
‘Echt waar? Dat is toevallig.’
‘Het is hier sowieso anders dan voorgaande jaren. Vroeger was hier een gemengd toiletgebouw. Mannen, vrouwen, alles door elkaar.’
‘Wat merkwaardig.’
‘Hoezo? Thuis heeft toch ook niemand aparte badkamers?’ Hij pakte zijn blikje cola, niet om eruit te drinken, maar om iets in zijn handen te hebben. Wat bazelde hij toch?
‘Dat is ook zo,’ zei Véronique. ‘Weet je wat? We houden ons er gewoon niet aan. Jij gaat gewoon bij de vrouwen naar binnen, en ik bij de mannen.’ Ze keek hem vragend aan. ‘Ik bedoel u,’ corrigeerde ze, ‘niet jij. Nu ga ik plassen. Bij de mannen dus.’ Ze stond op. Voor ze wegliep, streek ze met eenzelfde gebaar als ze eerder had gedaan haar rokje glad.

De rest van de middag bleef Liam Mees in zijn stoel zitten. Hij bladerde niet door zijn boeken, hij zat alleen maar. Zin om te eten had hij ook al niet. Sinds het meisje Véronique ‘gatverdamme’ had gezegd, had hij nergens meer trek in. Als hij aan zeldzame wieren probeerde te denken, voelde hij een lichte misselijkheid opkomen. Het meisje zag hij nergens meer. Ze moest via een vreemde omweg terug naar haar tent gelopen zijn. Hij ging zijn tent in om zijn spullen te ordenen, maar het meeste was al geordend. Waarom had hij niet voor wat meer gezelligheid gezorgd? Hij zette de waxinelichtjes in een compacte cirkel naast zijn luchtbed, en ging weer naar buiten.
Pas ’s avonds laat stond Véronique weer voor zijn neus. Ze had een vest over haar bikinitopje aangetrokken, de bikinibandjes staken er nog bovenuit.
‘Warm hè, voor de tijd van het jaar?’ Ze kwam naast hem zitten. ‘Hoewel het nu wel iets frisser begint te worden.’
‘Waar zijn je vriendinnen eigenlijk?’
‘Die zijn niet mee. Niemand wilde met me mee naar de Oosterschelde. Dat begrijp ik ook wel. Er is hier weinig te beleven, en zeldzame wieren heb ik ook al niet gezien.’
‘Je moet ook goed zoeken.’
Ze knikte. ‘Biedt u me niets te drinken aan?’
‘Ik kan thee zetten.’
‘Thee!’ Ze lachte hard en langer dan beleefd was. ‘Lekker.’
Liam Mees stond op, blij dat hij iets kon doen. Hij pakte wat spullen uit de voortent en ging vervolgens op zijn knieën zitten om het Buta-gasje aan te steken. Hij goot water uit de jerrycan in een pannetje, dat hij op het vuur zette. Het was makkelijker om met zijn rug naar Véronique toe te zitten, merkte hij.
‘Bent u wel eens eenzaam?’ vroeg ze, op het moment dat hij een theezakje in het kokende water hing.
Hij draaide zich half om en keek haar aan. Ze keek volkomen serieus terug.
‘Ja,’ zei hij toen.
Ze glimlachte. ‘Ik ook.’
Hij schonk de thee over in twee plastic kampeerbekertjes en gaf haar er een aan. Hij ging niet weer in zijn stoel zitten, maar in kleermakerszit, zoals zij. Na een paar slokken zette ze haar beker neer.
‘Het smaakt naar plastic, vind je niet? Mag ik uw tent zien?’ Ze stond op en voor hij antwoord had kunnen geven, zat ze al voor zijn tent en gluurde naar binnen. ‘Wat een groot luchtbed!’ Ze ritste de tentdeur open en ging op haar rug op het luchtbed liggen. ‘Super dit!’ Ze veerde heen en weer alsof ze het wilde testen. ‘Mijn luchtbed is lek, ’s nachts loopt het helemaal leeg, dan word ik de volgende dag wakker op de grond. En waxinelichtjes! Mag ik ze aansteken?’
Liam Mees ging op zijn hurken bij de ingang zitten, en gaf haar een aansteker aan.
‘Dus je vindt mijn tent van binnen wel gezellig?’
‘Heel gezellig!’ Véronique veerde nog steeds heen en weer op het luchtbed. ‘Kunt u de kaarsjes zelf even aansteken? Dit luchtbed wil ik wel een keer lenen, om mee te zwemmen. Gaat u dan mee?’ Ze lachte, een hoge heldere lach.
Liam Mees deed zijn schoenen uit en ging de tent in om de waxinelichtjes aan te steken. Het waren er behoorlijk veel, hij telde ze terwijl hij ze een voor een aanstak: achttien. Toen hij zich omdraaide, zat Véronique rechtop op het luchtbed. Ze had haar vest en haar bikinitopje uitgetrokken, en zat daar met een bloot bovenlijf, kleine borsten met mooie, kleine tepels. Ze rilde even toen hij naar haar keek.
‘Weet je wat ik altijd zo grappig vind,’ zei ze. ‘Als u verlegen wordt, strijkt u altijd met uw hand over uw voorhoofd, altijd op dezelfde manier.’

*

Die dag liep Liam Mees anders de school in dan hij gewend was, of misschien liep hij precies hetzelfde, maar vóélde hij zich anders. Hij groette enkele leraren nog voor ze hem gegroet hadden, en vroeg hoe hun vakantie was geweest. Als iemand vroeg hoe zíjn vakantie was geweest, antwoordde hij kort: ‘O gewoon leuk, zoals ieder jaar.’
Hij werd pas nerveus toen hij voor de klas stond. Hij zag dat Véronique van plaats gewisseld was, en nu helemaal achter in de klas zat. Toch kon hij nog lezen wat er in piepkleine nepdiamantjes op haar T-shirt stond: ‘Just kiddin’’.
Hij stak zijn verhaal af zonder haar aan te kijken. Hij probeerde de klas als een geheel te zien, als een eenheid zonder individuen, maar dat viel hem zwaarder dan hij had verwacht. Véronique stelde geen vragen, ook al wist hij zeker dat het onderwerp, genetische manipulatie, haar interesseerde.
Na vijfenvijftig minuten ging eindelijk de bel. De meeste leerlingen hadden voor die tijd hun tas al ingepakt, en stonden meteen buiten. Véronique was trager, ze pakte langzaam haar tas in, geconcentreerd en zorgvuldig, zonder haar blik van haar tas los te laten. Ze had niet door dat hij naast haar was gaan staan.
‘Ik heb wat voor je.’
Geschrokken keek ze op. ‘Hoe bedoelt u?’
‘Alsjeblieft.’ Hij gaf haar het schilderijtje waarin hij op een witte achtergrond het stukje gedroogde zeewier had geplakt, op de acherkant had hij met zwarte stift geschreven: ‘Dasysiphonia Japonica, Zeeland, Oosterschelde, voor Véronique’. Een vriendin die naast haar had gezeten, keek mee over haar schouder: ‘Jezus, Véronique, wat ís dat?’
Véronique keek nu van het schilderijtje naar hem, vervolgens naar haar vriendin, toen lachte ze hardop, iets langer dan beleefd was. ‘Zeldzaam zeewier,’ zei ze, en ze stak het schilderijtje in haar tas.