Het pakket

Uit: De verleiding (april 2007)
Waarschijnlijk had ze het niet moeten aannemen. Of eigenlijk wist ze dat wel zeker. Het kwam vast door de stemming waarin ze verkeerde. Ze was wakker geworden van het draaiorgel in de straat en voor het eerst sinds tijden werd ze daar niet chagrijnig van. Ze sprong gewoon uit bed alsof ze zin had in deze zaterdag, ook al had ze dan niet echt plannen, was ze vergeten ontbijt in huis te halen en stond de gedachte om nog half slapend de overvolle supermarkt in te moeten om afbakcroissants en jus d’orange te halen haar tegen. Ze hulde zich in haar badjas, kookte een ei dat ze nog in de koelkast vond en zette zoveel koffie dat ze voorlopig niet hoefde te eten. Opgewekt zette ze de computer aan. Wat ze die nacht had gedroomd wist ze niet meer, maar ze was wakker geworden met de vaste overtuiging dat het een goede dag zou worden. Voor de zekerheid las ze eerst haar horoscoop. ‘Zeg volmondig ja tegen dat wat op uw pad komt’, stond er.
Ze logde in op haar favoriete internetdatingsite (een van de drie waarop ze zichzelf inmiddels had ingeschreven) en vond twaalf berichten in haar inbox. Een prachtig getal. Eén voor één opende ze ze, behalve het bericht dat als titel ‘fancy a fuck?’ had. Zes berichten vielen alsnog af omdat ze over seks gingen, of omdat er tussen de regels door toespelingen werden gemaakt. Twee berichten vielen af omdat er geen aanhef boven stond en ze dus aan meerdere vrouwen tegelijk waren verstuurd. De overige drie berichten vielen uiteindelijk ook af omdat ze vol met spelfouten zaten, vergezeld gingen van een monsterlijke foto of er uitspraken in stonden als ‘Mijn hobby is romantiek’.
Hoewel ze daarna geen zin meer had om de andere datingsites te bezoeken (waarbij de kans op succes over het algemeen kleiner was), was haar humeur nog steeds niet verpest. Zei haar collega Dee – zelf inmiddels happily ever after met haar internetminnaar – niet dat je geduld moest hebben? Op haar advies deed ze dit nu een paar maanden zonder er ook nog maar één echte, niet-virtuele date aan over te hebben gehouden, maar geduld? Dat had ze te over. Als het aan haar lag, bleef ze de rest van haar leven lezen wat de hobby’s waren van haar virtuele mannen en welk standje ze prefereerden, zonder dat ze haar verder ergens mee lastigvielen.
Dee was van mening dat ze in een droomwereld leefde en dat internet haar goed zou doen. Zelf vond ze het dagdromen over mannen van wie je alleen een foto had gezien en een paar nietszeggende regels tekst had gelezen, net zo goed een droomwereld – dat was wat haar uiteindelijk over de streep had getrokken. Niet omdat ze het nodig had. Ze had al heel lang geleden haar oog laten vallen op een man die elke dag langs het raam liep waarop ze uitkeken terwijl ze de post sorteerden – of eigenlijk op zijn schoenen, want veel meer was er van hem niet te zien vanuit het souterrain waar ze werkten. Twee keer per dag kwam hij voorbij: ’s ochtends de ene kant op en aan het eind van de dag in omgekeerde richting. Er was iets in zijn manier van lopen, in de manier waarop zijn broekspijpen over zijn schoenen vielen, hoe hij zijn pas versnelde als hij aan de late kant was. Eén keer liet hij iets vallen, een papiertje. Hij bukte zich om het op te rapen, ze keek omhoog en door het kleine raam heen kruiste zijn blik de hare. Of ze dacht dat hij de hare kruiste, want het was moeilijk te zien vanaf de plek waar ze stond en het moment was te snel weer voorbij. Maar het gezicht paste bij zijn schoenen en andersom. Hij had haar niet teleurgesteld.
Toen vanmorgen onverwachts de bel ging, was ze meteen opgesprongen. Ze verwachtte geen bezoek. Terwijl ze naar de deur liep – het leek meer op rennen, zo gretig was ze – fatsoeneerde ze haar haar en trok ze haar badjas recht. Ze zwaaide iets te enthousiast de deur open en maakte dat goed door zo kalm mogelijk goedemorgen te zeggen. Het was de postbode.
‘Een pakketje voor u.’
‘Voor mij?’ Ze lachte haar verleidelijkste lach. Dit was haar dag.    

De rest van de ochtend was ze er een paar keer langsgelopen – ze had nu eenmaal weinig omhanden vandaag. Ze had het op de piano gezet, waar ze alles zolang neerplantte waarvan ze niet meteen wist wat ze ermee moest – het ding was toch vals en bovendien speelde ze geen piano; de vorige bewoner had hem laten staan en ze vond het wel sierlijk, zo’n piano in huis. Hoewel het gewoon een bruin pakketje was met een wit etiket zoals je er zoveel had, lonkte het naar haar als een te mooie man op een terras die naast zijn nog veel mooiere vriendin zat. Je wist dat het verboden terrein was, maar toch bleef het trekken. Was dat wat je niet kon krijgen niet altijd veel interessanter dan alles wat wel voorhanden was? Toen de postbode het papier onder haar neus duwde voor een handtekening, had ze allang gezien dat het pakje niet voor haar was. ‘Hoofdstraat’ stond erop in plaats van ‘Hoofdweg’, een andere achternaam en een postcode die zo slordig was geschreven dat het precies de hare leek. Dat gebeurde zo vaak. Dat ze sinds ze hier kwam wonen nog steeds geen naambordje had opgehangen, had er waarschijnlijk ook iets mee te maken. Ze was al tig keer naar de Hoofdstraat gefietst met post onder de arm die niet voor haar was bedoeld. Maar dit pakje! Je hoefde haar niets over pakjes te vertellen – ze had uren, dagen, weken van haar leven besteed aan post sorteren en tegenwoordig dacht ze aan de buitenkant al te kunnen zien wat erin zat. Ze had de gewoonte ontwikkeld aan post te snuffelen, er wat mee te rammelen, eroverheen te strijken – alleen als niemand keek natuurlijk. Zelfs van doodgewone enveloppen dacht ze te kunnen weten wat de inhoud was, of het goed of slecht nieuws betrof of slechts wat oeverloos gezwets. Ze kon nooit controleren of ze gelijk had. Ze had deze baan nodig. Post sorteren had een rustgevende uitwerking op haar en die rust kon ze goed gebruiken tussen alle audities door die ze als actrice moest aflopen. En het geld, dat ze met acteren niet verdiende zolang ze nergens werd aangenomen, had ze ook hard nodig. Het was een wonder dat de toneelschool haar eindelijk weer eens echt van pas was gekomen, daarnet, toen ze haar handtekening zette en tussen neus en lippen door liet vallen dat ze ‘hier al de hele ochtend op zat te wachten’. Waarna ze de postbode ‘nog een prettige dag’ wenste, zich omdraaide en haar badjas wat steviger aansnoerde – ze had hem heus wel naar haar decolleté zien gluren.
Toen ze honger kreeg, ging ze naar de keuken om maar weer nieuwe koffie te zetten – nog steeds had ze weinig zin om naar buiten te gaan op deze druilerige zaterdag, – en terug in de huiskamer zette ze het pakket voor zich op tafel. Normaal gesproken deed ze de tv aan als ze niets te doen had, maar nu niet. Ze aaide het karton van het pakje, legde even haar wang erop. Natuurlijk ging ze het straks alsnog afleveren bij het juiste adres. Maar dan mocht ze nu toch wel doen alsof het van haar was? Ze snoof de geur diep in zich op. Misschien wás het ook wel voor haar bedoeld. Misschien had de afzender zich vergist en bedoelde hij juist ‘Hoofdweg’ toen hij ‘Hoofdstraat’ opschreef. En was het via een vreemde speling van het lot toch bij haar terechtgekomen. Dat zou toch ook kunnen? Ze bewoog het pakje heen en weer, ook al had ze eerder al geconstateerd dat het rammelde. Er zat waarschijnlijk een doosje in dat iets kleiner was dan de verpakking. Dat doosje zou bijvoorbeeld best eens verpakt kunnen zijn in glimmende rode folie, of beplakt met zilveren hartjes op zwart papier – dat was niet uitgesloten. Of het had zelf de vorm van een hart en bestond geheel uit schelpen die tegen beschadiging waren afgeschermd met een laag bubbeltjesplastic. Bonbons waren het in elk geval niet, dat zou ze wel geroken hebben. Koekjes, dat zou eventueel nog kunnen, als ze in een luchtdicht blik verpakt zaten, maar nee, daar was het te licht voor. Het handschrift verried in elk geval dat het een minnaar betrof: de letter was sierlijk slordig maar toch mannelijk, in dikke zwarte inkt die uit een dure vulpen was gevloeid. Geen afzender. De erotiek droop er onmiskenbaar vanaf. Ze nam een slok van haar koffie, die alweer koud begon te worden.

Pas tegen tweeën ging ze naar buiten om een brood te halen. Ze dook diep in haar jas om zich te beschermen tegen de miezerige regen waarvan je uiteindelijk drijfnat werd. Soms verdiende ze op zaterdag wat bij door op het plein te gaan staan als levend standbeeld, meestal in een prinsessenjurk en met een parasolletje – niet dat dat haar goed stond, maar ze was toch onherkenbaar. Vaak was er ook een clown, die veel meer aandacht trok dan zij, en haar tussen zijn acts door probeerde te versieren. ‘Mag ik onder je parasol staan?’ vroeg hij dan. Of hij pakte haar kroontje af en ging ermee vandoor, tot hilariteit van de omstanders. Ze hield niet van clowns. Ze vond het dan ook nooit echt erg als het regende. Op dagen als deze keek niemand naar levende standbeelden; mensen gingen verscholen achter paraplu’s op in hun eigen wereld, dromend van betere tijden. Zelf droomde ze ook verder, van het pakje dat thuis nog steeds op tafel stond. Stel dat het wél voor haar was bedoeld? Moest ze niet volmondig ja zeggen tegen alles wat op haar weg kwam? Voor ze de bakker in stapte, dacht ze: als het tijgerbrood op is, maak ik het open. Maar er was tijgerbrood in overvloed.
Thuis verzette ze haar aandacht door met het brood en een pot pindakaas weer achter de computer te kruipen. Ze bekeek toch nog de andere datingsites, zonder succes. Ze hield van wat oudere mannen, met een verleden, maar de meeste mannen met een verleden leden daar zichtbaar onder, en daar hield ze weer níet van. Vanavond moest ze maar weer eens ouderwets uitgaan, zich in het echte leven tussen de echte mensen mengen. Ooit moest ze er toch aan geloven; ze kon niet eeuwig alleen blijven, net zo min als ze de rest van haar leven post kon blijven sorteren. Ooit zou haar leven echt moeten beginnen. Ze belde een rondje vriendinnen, maar kreeg niemand te pakken. Op internet keek ze wat er die avond te doen was. Ook al niet veel bijzonders. Ze struinde het net af naar nieuwe audities waarvoor ze zich kon opgeven. Uiteindelijk kwam ze toch weer terecht bij het pakje. Ze had het inmiddels naast haar beeldscherm gezet.
In het doosje, of het nu uit folie, blik of schelpen bestond, zat vast iets symbolisch. De binnenkant was van rood fluweel, uiteraard, en daarop lag een sleutel. Daarbij een briefje, geschreven in hetzelfde dramatische handschrift als op het etiket: ‘dit is niet alleen de sleutel van mijn huis, maar ook van mijn hart’. Zoiets moest het zijn. Wat jammer dat ze zo braaf was. Als dit een film was geweest, een film waarin ze voor de verandering eens een rol had, dan had ze het allang opengemaakt. Eerst het karton opengesneden met een stanleymes, vervolgens het folie verwijderd en dan een tijd verrukt naar het doosje gestaard alvorens het te openen en de sleutel met beide handen te omklemmen met een veelzeggende blik in haar ogen. En dan? Als het inderdaad een sleutel was, hoe wist ze dan bij welk huis hij hoorde? En bij wiens hart? Of stel dat er een uitgebreide brief bij zat, met adres, wat zou de man zeggen als zij ineens voor zijn deur stond? De sleutel was eigenlijk voor mijn geliefde bedoeld, maar bij nader inzien vind ik jou leuker? En stel dat de man veel ouder was dan zij, een jaar of zeventig? Wat dan?
Ze besloot er nog een nachtje over te slapen. Vroeg naar bed, dat zou haar goed doen. Ze omwikkelde het pakket met een sjaal en legde het op het hoofdkussen naast haar, dat anders meestal leeg bleef. Morgen is alles anders, dacht ze.

De volgende dag was ze wel chagrijnig wakker geworden, ook al was er dan geen draaiorgel. Weer een dag voorbijgegaan met nietsdoen. Weer niets beleefd om na te vertellen. Morgen was het maandag, weer een dag waarop ze post zou sorteren, alsof ze geen andere talenten had. Een eindeloos lange dag, waarop ze niets had om naar uit te kijken, behalve de man, haar belachelijke fantasieman die langs het raam zou lopen.
Met tegenzin had ze zich aangekleed. Het eerste wat ze zou doen was dat rotpakket afleveren bij het juiste adres. Dan was ze in elk geval ook die illusie kwijt. En misschien maakte ze er iemand blij mee, dan had ze in elk geval nog een goede daad verricht.
Ze fietste tegen de wind in, onder een grijze hemel. Haar band was zacht, waardoor ze harder moest trappen dan wenselijk. Het was koud. Het voorjaar zou elk moment kunnen beginnen, maar je merkte er weinig van. Het pakket hield ze stevig onder haar arm geklemd. Iets in haar wilde er nog helemaal geen afstand van doen. Toen ze de Hoofdstraat naderde begon ze steeds langzamer te trappen. Moest ze niet toch rechtsomkeert maken, met pakket en al? Was dit niet een goede gelegenheid om één keer in haar leven een droom waar te maken, hoe klein die ook was? Zodat ze daarna voor altijd kon stoppen met dromen?
Toch fietste ze door, de Hoofdstraat in, zette haar fiets neer voor het hek en liep de lange oprijlaan op. Dit huis was niet te vergelijken met dat van haar: het was vrijstaand, groot en had een enorme tuin. En er woonde iemand die pakketten ontving.
Ze belde aan. Door het ruitje in de deur heen keek ze of er iemand thuis was. Ze hoorde een hond blaffen. Het licht in de gang ging aan.

‘Goedemorgen. Bent u van de collecte?’ Een oudere vrouw deed open. Haar haar was witgrijs en netjes gewatergolfd, maar ze keek kwiek uit haar ogen.
‘Nee, hoor, ik kom een pakje brengen,’ reageerde ze. ‘Het was verkeerd bezorgd gisteren.’ Ze sloeg haar ogen neer. Had ze zich echt de bezittingen van deze lieve dame willen toe-eigenen?
‘Kind, wat fijn. Kom even binnen, het is koud buiten. Ik heb net koffie gezet.’
Ze aarzelde een moment, maar stapte toen toch over de drempel. Wat had ze nou helemaal te doen vandaag?
De vrouw met de witte haren liep voor haar uit de keuken in. Het pakje legde ze ongeopend op de koelkast. ‘Mijn medicijnen,’ verklaarde ze met een knikje. ‘Die bestel ik tegenwoordig via internet, dan weet ik tenminste wat ik in huis haal.’
‘Ja,’ zei ze. ‘U hebt groot gelijk.’
‘Zeg, kun jij even de achtertuin in lopen en mijn zoon halen voor de koffie? Ik moet zo min mogelijk lopen met die reuma van me. Hij is hier vandaag om de perenboom te snoeien, daar ergens achter de schuur. Hij zal ook wel koffie lusten.’
‘De perenboom,’ zei ze. ‘Natuurlijk.’
Ze was bereid alles te doen wat de vrouw voorstelde, alles om goed te maken dat ze een stukje van haar leven had gebruikt voor een belachelijke fantasie. Medicijnen. Via internet. Voor haar reuma.
Ze keek naar haar voeten toen ze de tuin in liep. Het gras was nog nat van een verse regenbui. Pas toen ze bij de perenboom stond, keek ze omhoog. Tegen de boom stond een ladder. Daarop twee benen en de rest van een lichaam dat tussen de takken verdween. Ze keek naar de schoenen: een sportief model. Ze wist zeker dat ze die nooit eerder had gezien, maar er was iets in de manier waarop de broekspijpen eroverheen vielen, iets in de kromming van de benen, de licht gebogen knieën, wat haar wel bekend voorkwam.
‘Hé,’ zei ze. ‘Je moeder heeft koffie gezet.’
 Toen ze de benen langzaam naar beneden zag klimmen, wist ze het zeker. De man draaide zich naar haar toe, en ze stak haar hand naar hem uit zonder haar naam te zeggen.
‘Sorry,’ zei hij. Zijn hand was vochtig en zat vol aarde. Hij keek haar aan. Nu, hier in de regenachtige achtertuin van zijn moeder, was hij nog veel mooier dan ze zich had voorgesteld.
‘Ik kwam een pakket langsbrengen,’ legde ze uit. ‘Het was per ongeluk bij mij bezorgd.’
‘Heb ik jou niet eens eerder gezien?’ vroeg hij. Hij hield nog steeds haar hand vast, alsof ook hij was vergeten dat dit slechts een handdruk was die bij een eerste begroeting hoorde. ‘Je komt me zo bekend voor.’
Ze glimlachte. Iets in haar wist dat dit het was, zo’n zeldzaam moment waarop droom en werkelijkheid samenvielen. ‘Jij mij ook,’ zei ze.