Plezier voor twee

Uit: Folia (december 2006)
Pieter Pleizier, algemeen directeur van de succesvolle winkelketen Pussycat, bekend om de verkoop van seksartikelen die ‘stout, sexy & smaakvol’ waren, werd bijna nooit lastiggevallen met inkomend telefoonverkeer. De meeste telefoontjes werden beneden bij de balie al tegengehouden, de rest werd opgevangen door zijn persoonlijke assistente, die ze doorschakelde naar iedereen behalve naar hem. Binnen het bedrijf was hij zo belangrijk dat hij eigenlijk volkomen overbodig was geworden. Als hij op een dag niet meer op zijn werk zou verschijnen, zou dat waarschijnlijk voor niemand een verschil maken.  
Nadat Pieter Pleizier het bedrijf (toen nog ‘Pleizier voor twee’ geheten)  had overgenomen van zijn vader, had hij zich jarenlang ingespannen om het nog succesvoller te maken, niet omdat seksartikelen hem ook maar enigszins interesseerden – seks was iets natuurlijks, vond hij, daar had je geen tierelantijnen bij nodig – maar opdat zijn vader, die allang overleden was, trots op hem kon zijn. Nu zijn bedrijf het grootste was in de branche en tot ver over de landsgrenzen reikte, liep Pieter op de jaarlijkse beurzen rond zoals een doorgewinterde huisvrouw door de buurtsupermarkt, vulde hij zijn dagen op kantoor met uit het raam staren en vliegtuigjes vouwen van persberichten, en deelde hij zo nu en dan wat orders, bevelen en ontslagen uit om te laten zien wie er de baas was.
Toen deze maandagmorgen plotseling zijn mobiel ging en er een onbekend nummer in het scherm verscheen, wist hij niet wat hij meemaakte. Alleen zijn vrouw, zijn minnares en een paar heel intieme zakencontacten die hem bij de voornaam mochten noemen, kenden dit nummer, en zij belden hem zelden of nooit – ook privé was hij allang niet meer onmisbaar.
‘Pussycat, met Pleizier.’ Hij had nu al spijt dat hij had opgenomen. Hij hield helemaal niet van verrassingen.
‘Goedemorgen, met Anne-Liv Somers. Bel ik gelegen? Het gaat om het volgende, meneer Pleizier. Ik zie in uw gegevens dat u verzekerd bent tegen brand en inbraak, dat u een autoverzekering hebt, een doorlopende reisverzekering en een aansprakelijkheidsverzekering. Dat is natuurlijk allemaal hartstikke mooi. Maar…’
Ze haalde adem; dit was het moment om haar te onderbreken en het gesprek af te kappen, maar op de een of andere manier was hij benieuwd wat er zou volgen, wat deze jonge- meisjesstem die iets te hoog was, iets te nerveus, iets te blij, nog meer zou zeggen.
‘… hebt u er ooit aan gedacht om een levensverzekering af te sluiten? Misschien lijkt dat nu onnodig, is het iets wat ver van u afstaat, maar u moet bedenken dat…’ Weer een pauze, alsof het meisje even was afgedwaald van haar belscript en nu opzocht waar ze was gebleven. ‘… u veel rustiger zult leven als u weet dat alles goed geregeld is.’
‘Volgens mij heb ik allang een levensverzekering.’ Pieter draaide aan het knopje van zijn Rolex, zonder de wijzers te bewegen. ‘Tenminste, daar ga ik vanuit. Ik heb alles laten regelen, dus dat ook.’
‘Weet u dat zeker? Ik zie hier in uw gegevens… meneer De Clercq is het toch? Of wacht. Wacht even…’
Anne-Liv Somers werkte op de bovenste etage van een sombere torenflat aan de rand van de stad. Heel in de verte, achter de eindeloze asfaltwegen, kon je een streepje zien van de zee, maar alleen als het mooi weer was. Dit was haar eerste werkdag. Ze was te jong en te mooi voor een baan als deze, maar ze had geld nodig, veel geld, om ooit rijk en beroemd te kunnen worden. En het was goed om haar zenuwen te overwinnen. Ze had last van telefoonangst. Niet helemaal zonder reden: omdat ze dyslectisch was toetste ze bijna altijd een verkeerd nummer in. Nu was het tijd om daarmee af te rekenen. Als ze dit had overwonnen, kon ze de hele wereld aan, zo redeneerde ze.
‘Sorry,’ zei ze. ‘Er is iets misgegaan, meneer Pleizier. Ik heb uw gegevens helaas niet bij de hand. Maar u hebt misschien toch interesse in de levensverzekering? Ik bedoel, het blijft een raar woord natuurlijk. Het is niet alsof u ineens verzekerd bent van een goed leven. Als dat zou kunnen, dan zou iedereen toch zeker meteen zoiets afsluiten? Ik zou dat wel doen als ik de kans kreeg.’ Als ze erg zenuwachtig werd, kon Anne-Liv niet ophouden met praten. Daar kon ze niets aan doen.
Pieter liet het vliegtuigje dat hij tijdens het telefoongesprek was begonnen te vouwen (of eigenlijk werd het een F16, zo geroutineerd was hij inmiddels) liggen. Hij klemde de telefoon wat steviger tegen zijn oor.
‘Ja,’ zei hij.
‘Dus wat ik maar wil zeggen is: je leven kún je helemaal niet verzekeren. In die zin slaat deze hele verzekering dus nergens op. Dat zou wat zijn zeg, als iemand zou zeggen: betaal zus en zoveel en dan ben je gelukkig. En dat het dan ook werkt. Bent u gelukkig?’
Pieter haalde zijn voeten van het bureau en plantte ze op de grond. Hij kon zich niet meer herinneren dat iemand hem voor het laatst een vraag had gesteld, een echte vraag waarop een antwoord werd verwacht. Zijn vrouw overlegde nooit iets met hem; zelfs zijn brood maakte ze klaar zonder te vragen wat hij erop wilde. En zijn minnares – het enige verschil was dat zij zijn brood niet klaarmaakte, verder was het precies zijn vrouw, maar dan een paar jaar jonger.
‘Ach,’ zei hij. ‘Er zullen genoeg mensen zijn die met me willen ruilen.’
‘Maar bent u gelukkig?’ Anne-Liv herstelde zich. Ze bedacht ineens dat in het script stond dat je geen persoonlijke vragen mocht stellen. ‘Ik niet hoor,’ zei ze daarom. ‘Tenminste, niet echt. Het is niet dat ik elke dag opsta en begin te dansen ofzo. Heel soms ’s avonds op mijn kamer, als er niemand kijkt. Dan dans ik wel. Soms trek ik gekke kleren aan, een pakje met allemaal spinnen erop, zoiets. Dat ziet er wel leuk uit.’
‘Is dat pakje toevallig gemaakt van zwart satijn, afgewerkt met kant en voorzien van fluwelen spinnen met ogen van pailletten?’
‘Ja. Hoe weet u dat?’
‘Zomaar een gok.’
‘Ja,’ legde Anne-Liv uit. ‘Ik spaar dat soort pakjes. Voor je weet maar nooit. Babykleertjes verzamel ik ook. Ik leg ze in een grote la onder mijn bed. Soms haal ik ze tevoorschijn. De meeste zijn alweer uit de mode.’
‘Lego,’ zei hij plotseling. Hij schrok er zelf van.
‘Pardon?’
‘Ik heb heel veel Lego thuis. Het staat allemaal op zolder, want mijn vrouw wil het niet beneden hebben. Ik ook niet trouwens. Ik bouw er een hele nieuwe wereld mee, bijna net zo echt als… als de echte.’
‘Echt waar?’
‘Mijn zolder is ruim tweehonderd vierkante meter. Eén groot Lego-landschap. Kun je je dat voorstellen? Niemand weet ervan, behalve mijn vrouw. Ze heeft me ooit een keer mee naar Legoland genomen, om inspiratie op te doen. Daarna moest ik er wel een minnares bij nemen, begrijp je?’
Anne-Liv knikte vanachter haar bureau. Haar koffie die ze eerder had klaargezet was koud geworden. ‘U bent dus wel gelukkig,’ constateerde ze.
‘Geluk is pas geluk als je het kunt delen,’ zei hij.
‘Hebt u kinderen?’
‘Nee.’
‘Dat is jammer.’
Pieter Pleizier zweeg. Anne-Liv Somers zweeg ook. Ze keek om zich heen: haar collega’s waren met headsets op, druk gebarend en pratend, formulieren aan het invullen. Haar formulier was nog leeg, op een paar aantekeningen in de kantlijn na: ‘Lego’, ‘minnares’ en ‘nieuwe wereld’.
‘Om even terug te komen op de levensverzekering,’ zei ze ten slotte. ‘Hebt u interesse?’
Pieter was opgestaan en liep heen en weer in zijn kantoor, langs leren stoelen, glazen tafels, overbodige apparatuur, oude kalenders die nog steeds de muren sierden met op elke pagina een ‘Pussycat van de maand’, meestal opengehangen bij zijn favoriete afbeelding. Voor hem was het achtergrondbehang, dat hem net zo veel of weinig deed als het bloemetjesbehang bij zijn moeder thuis.
‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Ik heb interesse.’
‘Interesse’, noteerde Anne-Liv in de kantlijn. ‘Mooi,’ zei ze. ‘Dan komt er binnenkort iemand bij u langs. Aanstaande donderdag, om elf uur ’s ochtends schikt dat?’
‘Kom jij dan zelf langs?’ vroeg Pieter.
‘Nee, sorry. Dat is een andere afdeling. Zou u graag willen dat ik langskom?’ Met haar vinger tekende ze onzichtbare cirkels op het papier. Ergens hoopte ze ontzettend dat hij ja zou zeggen, ze wist ook niet waarom.
Pieter dacht na. Hij zou verse bloemen neerzetten. De kalenders van de muur halen. Een hele stapel spinnenpakjes laten inpakken in goud papier met zilveren linten. Nog meer pakjes laten inpakken, in nog mooier papier. Hij zou haar een baan aanbieden. Als zijn persoonlijke assistente. Hij kon haar Lego laten kopen op het internet en het samen met haar uitpakken. En als ze heel graag wilde, kon hij haar een kind schenken, zijn kind, dat ze kon aankleden met de babykleertjes die onder haar bed lagen.
‘Misschien is dat tegen de regels,’ zei hij.
‘Dat zou kunnen.’
Ze zwegen, ademden tegelijk in en uit zonder nog iets te zeggen.
‘Jammer,’ zei Anne-Liv na enige tijd. Haar ogen dwaalden af naar het belscript. ‘Nou, dan bedank ik u hartelijk voor uw interesse in ons product en dan wens ik u nog een prettige middag.’ Voor hij nog iets kon terugzeggen, had ze het gesprek weggedrukt. Hierna keek Anne-Liv Somers peinzend naar buiten. Ze was zijn adres vergeten te noteren. In de computer zocht ze de volgende klant op en aarzelend toetste ze het nummer in. Misschien, dacht ze, kon ze beter een andere baan zoeken.
Pieter Pleizier staarde op zijn beurt nog een poosje naar zijn telefoon, voor hij naar beneden liep, een van de spinnenpakjes uit het magazijn haalde, en daar vervolgens vanachter zijn bureau nog lange tijd naar bleef kijken.