- 13 januari 2012
- 27 december 2011
- 19 december 2011
- 6 december 2011
- 22 november 2011
- 7 november 2011
- 27 oktober 2011
- 14 oktober 2011
- 26 september 2011
- 18 september 2011
- 11 september 2011
- 1 september 2011
- 26 augustus 2011
- 8 augustus 2011
- 26 juli 2011
- 12 juli 2011
- 28 juni 2011
- 15 juni 2011
- 7 juni 2011
- 27 mei 2011
- 18 mei 2011
- 5 mei 2011
- 27 april 2011
- 15 april 2011
- 4 april 2011
- 29 maart 2011
- 18 maart 2011
- 11 maart 2011
- 4 maart 2011
- 25 februari 2011
- 14 februari 2011
- 5 februari 2011
- 26 januari 2011
- 21 januari 2011
- 11 januari 2011
- 4 januari 2011
- 24 december 2010
- 13 december 2010
- 1 december 2010
- 17 november 2010
- 9 november 2010
- 3 november 2010
- 27 oktober 2010
- 20 oktober 2010
- 13 oktober 2010
- 5 oktober 2010
- 22 september 2010
- 15 september 2010
- 7 september 2010
- 11 augustus 2010
- 3 augustus 2010
- 28 juli 2010
- 21 juli 2010
- 14 juli 2010
- 7 juli 2010
- 29 juni 2010
- 23 juni 2010
- 15 juni 2010
- 2 juni 2010
- 26 mei 2010
- 18 mei 2010
- 12 mei 2010
- 5 mei 2010
- 29 april 2010
- 21 april 2010
- 14 april 2010
- 8 april 2010
- 1 april 2010
- 25 maart 2010
- 16 maart 2010
- 15 februari 2010
- 2 februari 2010
- 12 januari 2010
- 5 januari 2010
Koekenbakkers
12 januari 2010
Ergens in een duister deel van Amsterdam liep de ketting van mijn fiets, maar wel op slechts een paar honderd meter van een fietsenmaker vandaan, die luisterde naar de naam Dr. Beyk. Nu heb ik het eigenlijk niet zo op vreemde fietsenmakers; ik ben erg gesteld op mijn eigen vertrouwde fietsenmaker, die in hartje Jordaan zetelt, maar dat was zo’n anderhalf uur lopen. Daarom gaf ik mijn fiets met enig wantrouwen aan Dr. Beyk, die er een nieuwe ketting op legde. Een week later begon mijn fiets te kraken. Niet zomaar te kraken, nee, zo hard dat mensen op straat zich omdraaiden en me toeriepen: ‘Laat je fiets eens maken, joh!’ Toevallig bevond ik me een dezer dagen weer in de buurt van Dr. Beyk en ik vroeg hem wat er aan de hand kon zijn met mijn fiets. ‘Geen idee,’ zei hij. ‘Het zal de kou wel zijn.’ Ik was niet van plan om me te laten afschepen en vroeg hem zelf eens een rondje te fietsen op mijn fiets, zodat hij zou horen hoe belachelijk hard deze kraakte. ‘Ik weet het echt niet,’ zei hij, nadat hij dat had gedaan. ‘Maar ik wil de trappers wel vervangen.’
‘Zou dat helpen?’ vroeg ik.
‘Geen idee,’ zei hij. ‘Maar dat is in ieder geval niet zoveel werk. Je moet dan morgen even terugkomen, want vandaag heb ik geen tijd.’
Ik sprong weer op mijn krakende fiets en reed naar de dichstbijzijnde andere fietsenmaker voor een second opinion. ‘Er moet een nieuw wiel in,’ zei deze. ‘Dat kost zestig euro.’
Ik overwoog de fiets bij het grofvuil te zetten (ik had hem ooit voor zestig euro gekocht, dus zo’n nieuw wiel leek me wat overdreven), maar de dag daarop reed ik voor alle zekerheid naar mijn eigen vertrouwde fietsenmaker in hartje Jordaan, Frans. Deze schepte al jaren op dat hij een van de weinige echte fietsenmakers was in Amsterdam en dat alle andere fietsenmakers koekenbakkers waren, maar dat hinderde niet, want dat was ook zo. Ooit timmerde Frans met een hamertje een slag uit mijn wiel, waarvan een andere fietsenmaker had gezegd dat het absoluut vervangen moest worden. In plaats van zestig euro was ik toen drie euro kwijt. Er hing ook al jaren een krantenartikel aan de muur waarin stond dat Frans de enige fietsenmaker was in Amsterdam die nog met de hand slagen uit wielen haalde. Het was een echt familiebedrijf: vader en zoon werkten er ook. Vader was daar inmiddels een beetje te oud voor, dus die reikte alleen de fietsbellen aan, en zoon had een paar zilveren tanden, waarmee hij me altijd verleidelijk probeerde toe te lachen.
Frans wierp mijn fiets aan een nadere inspectie.
‘Wie heeft jouw ketting vervangen?’ vroeg hij.
‘Dr. Beyk,’ bekende ik.
‘Wat een koekenbakker. Hij heeft hem veel te strak gezet, daardoor is je lager gebroken. Er moet een nieuwe lager in je wiel. Waarom ga je dan ook altijd naar andere fietsenmakers?’
Ik moest bekennen dat ik dat ook niet wist. Het was een bevlieging geweest, een bevlieging die samenhing met het feit dat ik momenteel nu eenmaal niet in hartje Jordaan woonde, en daarom op andere fietsenmakers was aangewezen.
‘Ik zeg altijd maar zo: als je geen fietsenmaker wilt zijn, moet je lekker iets anders gaan doen,’ mopperde Frans, terwijl hij mijn wiel demonteerde. ‘En jij moet voortaan niet meer vreemdgaan.’
Hij gaf me mijn fiets terug; die reed weer als een trein. Dr. Beyk moest eens weten.


