Bloemetjesgordijn

16 maart 2010

En toen was ik ineens in het verre Oosten, waar het de godganse dag 35 graden en zonnig was, waar tuktuks net niet uit de bocht vlogen, en waar op elke straathoek je weer nieuwe onbekende geuren tegemoet kwamen. Ik was daar om een boeddhistische bruiloft bij te wonen in een stadje genaamd Nakhon Si Thammarat, en voor ik goed en wel jetlag-af was liep ik al mee in een bruiloftsoptocht met offergeschenken in mijn hand, luisterde ik geknield naar monnikenmantra’s en goot ik ter zegening water over de handen van bruid en bruidegom. Diezelfde avond dansten de Nederlanders, de Thai, een handjevol Spanjaarden en Indonesiërs en een enkele Ghanees gezamenlijk de polonaise op ‘Bloemetjesgordijn’ ter bewijs dat wij Nederlanders ook heus een heel boeiende cultuur hadden, waarna de avond werd afgesloten met een karaokefestijn.
De volgende dag reisde het hele gezelschap af naar een idyllisch tropisch eiland dat de toon zette van de rest van onze reis: we hopten van het ene naar het andere eiland en hielden ons met weinig anders bezig dan langs kleurig koraal snorkelen, in lauwwarme iets te blauwe zee zwemmen, vlinders tellen in de jungle, uitheemse gerechten als kikker en krokodil maar ook gewoon veel curry’s en kokossoep eten, en al scooterend net geen agressieve apen, aandoenlijke baby-olifanten of overstekende reuze leguanen aanrijden. Kortom, algauw had ik geen idee meer welke dag het was, laat staan welke maand het was (ik vermoedde op z’n minst toch wel mei of juni) of hoe laat het was, en Nederland leek ineens een ver oord waar ik ooit vaag eens van had gehoord.
Eenmaal thuis was ik dan ook verrast dat het hier nog hartje winter bleek, de cast van onze film zo goed als bepaald was, en het 75ste boekenbal alweer tot het nieuws van gisteren behoorde. Mijmerend neuriede ik nog eens het refrein van ‘Bloemetjesgordijn’.