Vulpen

23 juni 2010

Een paar maanden geleden was mijn vulpen op de grond gevallen, en sindsdien schreef hij niet meer. Ja, een soort krasserig schrift kwam eruit, alsof de inkt al een tijdje op was en ik met iemand anders’ vulpen schreef. Noem me bijgelovig, maar dat leek me geen goed teken voor een schrijfster. Een en ander viel – toevallig of niet – samen met een periode waarin ik niets schreef. Nog geen letter kreeg ik op het spreekwoordelijke papier (schrijven doe ik achter de computer, dus die vulpen had er in feite weinig mee te maken). Ik probeerde het niet eens. Ik had het gevoel dat er een dikke grijze wolk boven mijn hoofd hing en dat schrijft nu eenmaal niet lekker – je moet namelijk wel een soort lijntje met ‘boven’ voelen (vat dit zo religieus op als je wilt, maar zo werkt het voor mij). Toen die wolk er ineens écht bleek te hangen en vliegtuigen niet meer mochten opstijgen, was ik niet eens verbaasd.
Onlangs vond ik het genoeg geweest met deze schrijfloze periode. Ik bracht mijn pen naar een vulpenspecialist, die hem onder de loep hield. ‘Mevrouw, hij heeft wel een tikje gehad, maar dat mag weinig uitmaken. U moet gewoon heel veel schríjven. Dan gaat het vanzelf over.’
Ik nam mijn pen weer mee naar huis. Onlangs was ik begonnen in The Artist’s Way van Julia Cameron, en zij raadde me hetzelfde aan: schrijf! Ook Natalie Goldberg van het boekje Writing Down the Bones, vond dat er maar één oplossing was voor alle wereldproblemen: schrijven. Dus ik pakte mijn vulpen en schreef negentien pagina’s vol. Gewoon op papier. Maar mijn pen deed het nog steeds niet, er kwam alleen maar minder inkt uit en op het laatst deed hij helemaal niets meer.
Ik ging terug naar de vulpenspecialist. Ditmaal hield een andere verkoper mijn pen onder de loep. ‘Mevrouw,’ zei hij streng, ‘hebt u uw pen wel eens schóóngemaakt?’
Nee, dat had ik niet. Ik wist helemaal niet dat dat moest, je pen schoonmaken.
‘Gewoon een tijdje in een badje leggen, zonder sop. Dan schrijft hij weer als een trein.’
Ik ging weer naar huis met mijn pen, en legde hem in een bakje water. Ik droogde hem af en begon te schrijven. Eerst nog wat waterig, maar algauw weer in ronde, volle letters, zoals ik dat gewend was. Ik schreef net zolang tot ik kramp kreeg in mijn hand.
Ik keek omhoog: de wolk was opgetrokken.