- 7 mei 2012
- 1 mei 2012
- 24 april 2012
- 11 april 2012
- 5 april 2012
- 22 maart 2012
- 16 maart 2012
- 1 maart 2012
- 21 februari 2012
- 10 februari 2012
- 26 januari 2012
- 13 januari 2012
- 27 december 2011
- 19 december 2011
- 6 december 2011
- 22 november 2011
- 7 november 2011
- 27 oktober 2011
- 14 oktober 2011
- 26 september 2011
- 18 september 2011
- 11 september 2011
- 1 september 2011
- 26 augustus 2011
- 8 augustus 2011
- 26 juli 2011
- 12 juli 2011
- 28 juni 2011
- 15 juni 2011
- 7 juni 2011
- 27 mei 2011
- 18 mei 2011
- 5 mei 2011
- 27 april 2011
- 15 april 2011
- 4 april 2011
- 29 maart 2011
- 18 maart 2011
- 11 maart 2011
- 4 maart 2011
- 25 februari 2011
- 14 februari 2011
- 5 februari 2011
- 26 januari 2011
- 21 januari 2011
- 11 januari 2011
- 4 januari 2011
- 24 december 2010
- 13 december 2010
- 1 december 2010
- 17 november 2010
- 9 november 2010
- 3 november 2010
- 27 oktober 2010
- 20 oktober 2010
- 13 oktober 2010
- 5 oktober 2010
- 22 september 2010
- 15 september 2010
- 7 september 2010
- 11 augustus 2010
- 3 augustus 2010
- 28 juli 2010
- 21 juli 2010
- 14 juli 2010
- 7 juli 2010
- 29 juni 2010
- 23 juni 2010
- 15 juni 2010
- 2 juni 2010
- 26 mei 2010
- 18 mei 2010
- 12 mei 2010
- 5 mei 2010
- 29 april 2010
- 21 april 2010
- 14 april 2010
- 8 april 2010
- 1 april 2010
- 25 maart 2010
- 16 maart 2010
- 15 februari 2010
- 2 februari 2010
- 12 januari 2010
- 5 januari 2010
In de bus
27 mei 2011
Ik stapte ’s morgens vroeg in de bus naar Monnickendam – waar ik een workshop zou gaan volgen bij documentairemaker Frans Bromet – en vroeg de buschauffeur of ze ook in de buurt zou komen van die en die straat.
‘Daar moet ik ook heen,’ hoorde ik iemand roepen van achter in de bus. ‘U kunt met mij mee lopen.’ De bus was leeg, op een meisje na van een jaar of vijfentwintig met een grote zonnebril op.
‘Komt u niet naast me zitten?’ vroeg ze teleurgesteld toen ik een bankje verderop ging zitten. ‘Dan kom ik bij u zitten, hoor.’ Ze stond op van haar plek en schoof naast me. Haar ogen gingen verscholen achter de enorme brillenglazen, waardoor ik het niet meteen had gezien.
‘Gaat u stage lopen ofzoiets?’ vroeg ze. ‘Ik werk daar, samen met mijn collega’s. We maken glas. En ik werk ook op een boerderij. Daar heb je schapen, konijnen, duiven en een ezel. Eén konijn had last van zijn buik, die was bruin-wit. Ik moest elke dag zijn kontje schoonmaken. Die was ineens dood. Heel jammer, want het was m’n lievelingskonijn.’
‘Hoe heette die dan, dat konijn?’
‘Dat weet ik niet meer. Maar ik heet Anja. Woont u ook in Osdorp?’
‘Nee, ik niet.’
‘Ik vind het niet zo leuk in Osdorp, er gebeurt zo veel. Er was een auto in brand gestoken, en een juwelier was op z’n kop geslagen met een pistool, dat hebt u vast wel in de krant gelezen. En er was een vliegtuig in drie stukken gebroken, vlak bij mij om de hoek, van Turkish Airlines. En dan had je nog die vliegtuigen die in de World Twee Towers waren gevlogen, hebt u dat gezien?’
‘Dat was niet in Osdorp.’
‘O nee, zou kunnen. Maar toch wil ik liever in Deventer wonen, bij mijn vriend. Ik denk wel dat dat mag hoor, maar mijn schoonmoeder – dat is de moeder van mijn vriend – moet er nog over nadenken. Mijn vriend woont nog bij zijn ouders. Ik niet, ik woon met drie huisgenoten. Eentje werkt bij het toneel en twee werken met zijde. Maar mijn collega’s en ik werken met glas. Ik moet alleen wel elke dag reizen.’
‘Vind je dat jammer?’
‘Ja, want ik zit altijd alleen in de bus. Ik was zo blij toen u de bus in kwam vandaag. Eindelijk eens iemand die ook mijn kant op moet. De buschauffeur moest ook lachen, dat zag ik wel. Die dacht: eindelijk een reisgenoot voor Anja.’


