- 13 januari 2012
- 27 december 2011
- 19 december 2011
- 6 december 2011
- 22 november 2011
- 7 november 2011
- 27 oktober 2011
- 14 oktober 2011
- 26 september 2011
- 18 september 2011
- 11 september 2011
- 1 september 2011
- 26 augustus 2011
- 8 augustus 2011
- 26 juli 2011
- 12 juli 2011
- 28 juni 2011
- 15 juni 2011
- 7 juni 2011
- 27 mei 2011
- 18 mei 2011
- 5 mei 2011
- 27 april 2011
- 15 april 2011
- 4 april 2011
- 29 maart 2011
- 18 maart 2011
- 11 maart 2011
- 4 maart 2011
- 25 februari 2011
- 14 februari 2011
- 5 februari 2011
- 26 januari 2011
- 21 januari 2011
- 11 januari 2011
- 4 januari 2011
- 24 december 2010
- 13 december 2010
- 1 december 2010
- 17 november 2010
- 9 november 2010
- 3 november 2010
- 27 oktober 2010
- 20 oktober 2010
- 13 oktober 2010
- 5 oktober 2010
- 22 september 2010
- 15 september 2010
- 7 september 2010
- 11 augustus 2010
- 3 augustus 2010
- 28 juli 2010
- 21 juli 2010
- 14 juli 2010
- 7 juli 2010
- 29 juni 2010
- 23 juni 2010
- 15 juni 2010
- 2 juni 2010
- 26 mei 2010
- 18 mei 2010
- 12 mei 2010
- 5 mei 2010
- 29 april 2010
- 21 april 2010
- 14 april 2010
- 8 april 2010
- 1 april 2010
- 25 maart 2010
- 16 maart 2010
- 15 februari 2010
- 2 februari 2010
- 12 januari 2010
- 5 januari 2010
Op de berg
28 juli 2010
We waren een weekendje aan het wielrennen in Limburg, omdat je nu eenmaal niet altijd kon werken. Ergens na een enorm lange klim hadden we behoefte aan een pauze, en schaduw, maar we bevonden ons op een smalle autoweg zonder fietspaden, waar de auto’s net iets te hard reden, dus zochten we onze toevlucht op de oprijlaan van een huis. Half verscholen achter een struik bleek een oude dame aan het werk; ze was strootjes aan het oprapen die op de oprijlaan lagen.
‘Pardon,’ zei ik, ‘Mogen we even in uw schaduw staan?’
‘Wablief?’ zei ze.
‘Mogen we hier in de schaduw staan?’
‘O ja,’ zei ze. Ze kwam overeind. ‘Ik was druk bezig, er is hier een vrachtwagen langsgeweest en daar is al dit hooi vanaf gewaaid. Voor het einde van de dag wil ik het af hebben. Willen jullie een stoel?’
‘Dat hoeft niet hoor.’
‘Jawel, jullie kunnen hier niet op de grond zitten, dan word je ziek. Ik ga twee stoelen halen.’ De vrouw verdween in het huis en kwam terug met een bruine leren stoel en een tuinstoel.
‘Ziezo,’ zei ze. ‘Alleen de kat is een beetje bang. Die houdt niet zo van wat wij “vreemden” noemen. Maar we hebben haar ook een beetje bang gemaakt, omdat je niet wil dat ze ineens de weg op rent. Ze rijden hier zo hard.’
‘Ik heb ook twee katten,’ zei ik.
‘O ja?’ Ze begon te stralen. ‘Een dierenliefhebster. Vandaar dat je hier nu zit, dat trekt elkaar aan, hè? Waar komen jullie vandaan?’
‘Uit Amsterdam.’
‘Amsterdam?’ Ze keek wederom verheugd. ‘Helemaal hierheen? Nou, je hebt hier veel goede mensen hoor. Alleen de jeugd is wat losbandiger. Die denken van: eerst ik, en dan de rest. Zo heb ik de mijne niet opgevoed.’ Ze bukte zich om haar werk te hervatten. ‘We wonen hier echt op de berg,’ vervolgde ze. ‘Het is wel wat kouder, maar je bent ook dichter bij de hemel, hè?’ Even keek ze omhoog, naar de blauwe, wolkenloze lucht, toen ging ze weer verder met het rapen van strootjes. Ze verzamelde ze in een plastic emmer en veegde tussendoor het zweet van haar voorhoofd. Ze leek vergeten dat we er waren.
Wij zaten op haar stoelen en dronken water uit bidons, en een zoetig drankje waar guaraná in zat. Toen was het tijd om weer op de fiets te stappen. We bedankten de vrouw voor haar gastvrijheid.
‘Ben je mal,’ reageerde ze. ‘Jullie zijn toch goede mensen? Kom volgend jaar maar terug. Als ik er dan nog ben, want ik ben al 96, hoor.’
Ze zwaaide naar ons.
‘Tot volgend jaar!’ riep ze ons na. Haar kat glipte langs haar benen het huis in.


