Ruimte

7 juli 2010

Als het op voetbal aankomt, ben ik niet heel consequent. Zo interesseert de sport me zo’n twee jaar lang totaal niet, totdat er weer sprake is van een Nederlands Elftal, dan zit ik avond aan avond aan de buis gekluisterd, en weet ik ineens (bijna) alles van corners, voordeel en buitenspel. Ook verdiep ik me graag in de psychologie van het voetbal, dat als een land op achterstand staat en ineens scoort, dat het dan vlak daarop opnieuw scoort, bijvoorbeeld. Of dat als het een penalty mist, dat het dan de volgende meestal ook mist. Dat soort dingen. Maar als Nederland op achterstand staat, kan de hele psychologie me gestolen worden. Dan moeten ze gewoon winnen.
Als ik wedstrijden kijk tussen andere landen, ben ik meestal voor de verliezende partij. Ik kan die droevige gezichten in de tribune gewoon niet aanzien, vooral niet als ze in alle kleuren van de regenboog zijn geschilderd en getooid met een helm/kroon/pruik, een vuvuzela in de mondhoek, een vlag in de hand en een trommel op schoot. Dat vind ik net zoiets als een verjaardagsfeestje geven en je hele huis vol hangen met slingers en ballonnen en dat er dan niemand komt.
Iets soortgelijks vreesde ik gisteren, toen ik de wedstrijd Nederland/Uruguay keek in een afgeladen oranje gekleurd stadspark. Zelf droeg ik met oranje veters in mijn gympies ook bij aan de feestvreugde. Ik zat vooraan in het midden, een geweldige plek, met name als je hield van de frisse regen van bier en plastic bekertjes die na elk doelpunt op je neerdaalde. Halverwege de wedstrijd stond Nederland er niet zo goed voor, en bedacht ik dat voetbal toch eigenlijk best een slaapverwekkende sport was, die het niet haalde bij schrijven/springtouwen/rondjes om je as draaien, etcetera.
Toen Nederland weer bijdraaide vond ik voetbal weer de hoogste kunstvorm ooit. Na de wedstrijd ging de confetti de lucht in en werd de polonaise ingezet. Ik wisselde nog wat high fives uit, onder meer met Nederlands eerste ruimtevaarder, die toevallig achter me stond. Het leek me geen goed moment te vragen hoe hij het had gevonden, daar in de ruimte, in de jaren tachtig. We stonden immers nu met beide benen op de grond, in een land dat plotseling eensgezind en saamhorig leek. Ik zag aan zijn gezicht dat zelfs hij op dit moment niet naar de ruimte verlangde.