Lila lingerie

Uit: AvantGarde (november 2009)

Ze had het gevoel dat er spoedig wat zou veranderen in haar leven. Er waren kleine aanwijzingen: ze vond haar werk – al jarenlang haar enige passie – plotseling niet meer interessant. In plaats daarvan zat ze liever thuis, iets wat ze altijd als een straf had beschouwd. Dingen die ze graag at stonden haar plotseling tegen. En ze was lingerie gaan dragen. Mooie, verfijnde lingerie waarvan je de stof langs je huid voelde glijden als een streling van de zachte hand van een ander. Ze had nooit veel om lingerie gegeven. Ze kleedde zich goed, dat wel, in de degelijke kleding met stevige kousen en zwarte bescheiden pumps die paste bij de baan van stewardess. Nooit eerder had ze erbij stilgestaan dat dit frivole lingerie niet hoefde uit te sluiten. Ze nam haar werk hoogst serieus en beschouwde haar kleding als een uniform, haar ondergoed incluis.
De laatste tijd leek het of ze op minder vluchten werd ingezet dan anders. Of het kwam doordat ze verstrooid en minder secuur was wist ze niet, maar het kon haar ook weinig schelen. Ze zat in de vensterbank van haar kleine appartement, op de elfde verdieping en keek uit over de stad. Ze had van kinds af aan in flats gewoond, en moest er niet aan denken zich ooit op de begane grond te huisvesten. Dit was de enige manier waarop ze het gevoel kon benaderen dat ze ook had wanneer ze vloog – het gevoel dat de wereld beneden haar al zijn belangrijkheid verloor. Meestal deed ze niets wanneer ze daar zat; alleen als hij thuis was luisterde ze ingespannen naar zijn voetstappen. Soms hoorde ze hem doortrekken of douchen en dan stelde ze zich voor dat ze, nonchalant gehuld in een van haar nieuwe lingeriesetjes, in dezelfde badkamer haar tanden poetste, zonder dat haar aanwezigheid hem stoorde.
Het appartementencomplex waar ze woonde bestond uit eenheden die alle in grootte van elkaar verschilden, waardoor, zo had de architect bedacht, er ‘een interessante mix van diverse bewoners’ zou ontstaan. Zelf merkte ze overigens weinig van deze mix: de meeste mensen schoten snel hun voordeur in voor je de gelegenheid kreeg ze te groeten, zijzelf net zo goed. Alleen als ze hém zag, begon ze langzamer te lopen, hield ze haar pas in zodat hun wegen elkaar zouden kruisen, of liep ze juist sneller – rennen vond ze overdreven – om nog net dezelfde lift te kunnen halen. Eens was ze naar de twaalfde verdieping gegaan en had daar de conclusie getrokken dat zijn appartement, een penthouse, vier keer zo groot moest zijn als dat van haar. Een groot deel van haar tijd was ze daarmee bezig: zich proberen voor te stellen hoe de indeling van zijn huis was, waar hij zijn bed had staan, zijn eettafel, en waar hij op welk moment van de dag de meeste tijd doorbracht. Eén ding wist ze vrij zeker: zijn badkamer moest een groot deel innemen van de ruimte boven haar. In elk geval liepen alle leidingen door haar muren en soms legde ze haar oor tegen de muur om het water beter te horen stromen, dat haar leek te vertellen over de vreugde en het verdriet in zijn leven. Meestal was hij trouwens helemaal niet thuis: hij vertrok op een willekeurig moment van de dag, soms ook ’s nachts, en kwam vaak pas dagen later weer thuis. Naar zijn vriendin, dacht ze dan, maar dit kon ze niet bevestigen.

Haar verliefdheid was heimelijk en verwachtingloos. Ze was de dertig gepasseerd en had geen romantische verwachtingen meer. Soms had ze een korte flirt, waarbij de seks een noodzakelijke bijkomstigheid was van een prettige overdosis aandacht waarop ze weer maanden kon teren. Natuurlijk was hij anders, maar hem beschouwde ze vooral als een fijne droom, zo een die je wakker schudt uit de dagelijkse routine en die je voorzichtig aanstuurt je leven een andere wending te geven zonder dat je verder veel aandacht schenkt aan de droom zelf. Ze was verbaasd toen hij op een avond, in het werkelijke leven, aan haar deur stond.
‘Ik stoor toch niet,’ zei hij, zonder een antwoord te verwachten. ‘Ik zal me even voorstellen. Simon.’ Hij stak zijn hand naar haar uit. Hij leek langer dan ze had verwacht, nu hij zo voor haar stond.
‘Ik ben Thera,’ zei ze. ‘En je stoort niet.’ Dit was gelogen: het lawaai van de wasmachine had verhinderd dat ze zijn voetstappen had gehoord. Nu stond ze onvoorbereid voor hem, in een simpele grijze joggingbroek en een zwart hemdje dat ze alleen thuis droeg.
‘Mijn werkster is ziek en ik ben er dit weekend niet. Je zou me een enorm plezier doen als je mijn katten te eten wilt geven. Twee keer in totaal, alleen ’s avonds is genoeg. Ze zijn erg gesteld op gezelschap, begrijp je?’
Ze knikte.
‘Ik wist niet wie ik het anders moest vragen,’ legde hij uit. ‘Jij zegt altijd zo vriendelijk gedag.’

Ze had niet kunnen wachten tot hij was vertrokken. ’s Nachts had ze nauwelijks geslapen, en op de momenten dat ze wel sliep had ze koortsige dromen waarin ze zijn huis betrad en hij gewoon op de bank bleek te zitten terwijl zij de katten voerde.
‘Waarom heb je mij gevraagd terwijl je zelf thuis bent?’ vroeg ze.     
‘Mijn katten zijn erg gesteld op gezelschap.’
‘En jij?’ had ze in de droom gevraagd, terwijl zijn appartement steeds groteskere vormen begon aan te nemen. ‘Ben jij gesteld op gezelschap?’
Nu stak ze met licht trillende hand de sleutel in het slot en opende zijn voordeur. Ze had allerlei voorstellingen gehad van zijn huis, maar geen ervan bleek aan te sluiten op de werkelijkheid, op de immense grootte na. De inrichting was sober en ijzingwekkend netjes: de weinige spullen die hij bezat stonden exact op de juiste plaats, alsof er een liniaal aan te pas was gekomen. Ongetwijfeld waren het exclusieve designmeubelen, maar ze stonden in de ruimte alsof ze nog verkocht moesten worden: nergens ontdekte ze een kleine afwijking, een spoor van leven. Alleen zijn Siamezen lagen loom op de bank, maar zelfs zij hadden iets keurigs over zich, alsof ze de orde niet mochten verstoren.
De wilde voorstellingen die ze van haar bezoek had gehad ten spijt liep ze naar de keuken, waar ze het kattenvoer vond, ze verdeelde het over twee schoteltjes en verliet, zonder ook nog maar één keer om zich heen te kijken, zijn liefdeloze appartement.

De volgende dag vergat ze te gaan. Ze lag al in bed, in een van haar onlangs aangeschafte négligés, waarvan ze zich juist afvroeg wanneer er ooit een man van zou genieten, toen ze eraan dacht. Het stond haar tegen om weer zijn huis in te moeten gaan, dat zo weinig gemeen had met haar fantasie, maar ze was niet iemand die zich niet aan haar beloftes hield. Ze besloot om dan maar in haar ondergoed over de gang naar boven te schieten –’s avonds kwam ze toch nooit haar buren tegen.
Misschien kwam het omdat ze andere verwachtingen had, dat zijn huis de tweede keer een andere indruk op haar maakte. Ze liep snel, zonder om zich heen te kijken, richting de keuken en was net bezig zo efficiënt mogelijk het voer uit de aluminium doosjes te schrapen, toen haar oog op de koelkast viel: het handvat was gebroken en nog niet gerepareerd, het hing losjes in zijn voegen te dissoneren met de rest van de inrichting. Ze aarzelde, tot ze een glimp van zichzelf opving in het spiegelende chroom van de koelkastdeur: haar blote benen, het losse haar, haar fladderende nachtponnetje. Wat kon het haar ook schelen? Ze trok de koelkast open en ontdekte dat het handvat niet de enige afwijking was op de ijzige orde: de koelkast stond volgestouwd met allerlei soorten eten, open verpakkingen, bakjes met of zonder deksel, halve tomaten, potjes die er al veel te lang stonden. Ineens was ze al haar schaamte voorbij; ze pakte een halfvolle fles witte wijn uit de koelkast en schonk zichzelf een glas in. Overmoedig trok ze lades en kastjes open op zoek naar meer bewijzen van zijn menselijkheid. Ze keek onder de bank, tussen zijn boeken en cd’s, in zijn klerenkast, in zijn wasmand. Ze dronk van de wijn, die voortreffelijk was, en liet haar handen langs zijn spullen glijden. Ze danste uitgelaten door zijn badkamer, die inderdaad bijna zo groot was als haar eigen appartement, ze spoelde de wc door, een aantal keer achter elkaar, omdat dat haar een machtig gevoel gaf. Ze bevoelde zijn planten, die ze te droog bevond, en besloot dat het ook aan haar was die water te geven – zij had immers nu de gezagvoering over zijn huis – en nog steeds dansend en hardop meezingend met de muziek die ze had opgezet begoot ze ze, uit de fles wijn, die inmiddels leeg was en die ze had gevuld met water. Hoe had ze zich gisteren zo kunnen laten afschrikken door zijn sobere smaak? Hij was net als zij, die zich nog altijd kleedde in stijlvolle maatpakjes, terwijl er onder haar kleding een andere kant van haarzelf schuilging, die ze pas onlangs had toegelaten.
Toen ze, nadat ze alles had opgeruimd, uitgeput en nog dronken van opwinding in bed lag, wist ze het zeker: je moest nooit afgaan op iemands eerste indruk, het was de tweede indruk die telde. De eerste indruk was buitenkant, schijn, het was de kant die iemand graag wílde laten zien, terwijl daaronder de naakte kern schuilging, die rafeliger was, grilliger en onvoorspelbaarder, zonder gladgestreken kantjes. Ze streek over de zachte stof van haar négligé en begreep niet dat ze dertig jaar nodig had gehad om hierachter te komen.

***

Hij was iemand die weinig ophad met andere mensen. Sinds de scheiding van zijn vrouw, die hem, nu zes jaar geleden, had verlaten voor haar jeugdliefde, had iets in hem besloten voortaan onkwetsbaar te zijn. In zijn appartement voelde hij zich op zijn gemak: behalve zijn werkster kwam er nooit iemand en hij had er een bepaalde orde gecreëerd die hem een veilig gevoel gaf. Hij had genoeg aan zijn katten, die hij over zijn dag kon vertellen, en die hem nooit voor verrassingen stelden.
Als piloot had hij jarenlang alleen personenvluchten willen leiden, maar de laatste jaren vloog hij nog slechts vrachtvluchten. Een teruggang in zijn salaris en aanzien was het gevolg, maar de sociale interactie met de passagiers en de eeuwig flirtende stewardessen was hem zo tegen gaan staan dat hij dat voor lief had genomen. Nu werkte hij op nog onregelmatiger tijden dan voorheen, met in kwaliteit uiteenlopende voertuigen en vloog hij naar de minst gewilde bestemmingen. Het maakte hem niets uit: het gevoel dat hij had als hij de wereld ontsteeg en de aarde beneden hem zag veranderen in keurig geordende, overzichtelijke vlakken, was met niets te vergelijken. Behalve misschien met zijn huis, waar dezelfde wetten van regelmaat golden en waarvandaan hij een uitzicht had dat vergelijkbaar was met dat vanuit de lucht.
Na de scheiding had hij juist dit appartementencomplex uitgezocht omdat de mensen hier, ondanks zweverige ideeën van de conceptontwikkelaars waarmee ze de woningen destijds nogal schreeuwerig probeerden te verkopen, erg op zichzelf waren. Zet verschillende soorten mensen in hetzelfde gebouw en de kans dat ze ooit nader tot elkaar komen is zo goed als nul. Hij had hier dan ook nog jaren in volstrekte anonimiteit kunnen doorbrengen, als zijn werkster, een vrouw op leeftijd met een stalen gezondheid, niet onverwachts keelontsteking had gekregen. De band met zijn vrienden en kennissen was niet van dien aard dat hij ze voor elke kleinigheid kon laten opdraven, maar hij wilde zijn katten ook niet een weekend alleen laten zonder vers voer. Hij herinnerde zich dat er elders in het gebouw een vrouw woonde die hem altijd vriendelijk groette. Aan haar durfde hij zijn sleutel wel toe te vertrouwen. Beneden bij de portier omschreef hij de vrouw en vroeg hij op welk nummer ze woonde.

Toen hij voor haar deur stond, aarzelde hij. Zou ze wel weten wie hij was? Zou ze schrikken als er plotseling een vreemde voor haar deur zou staan, met een verzoek nog wel? Maar hij dacht aan zijn dierbare katten en wist niets anders te verzinnen dan toch bij haar aan te bellen. Ze deed open in een charmante joggingbroek, die laag op haar heupen hing, en een dun hemdje dat maar weinig van haar borsten verhulde. Hier was hij niet op bedacht; hij kende haar niet anders dan in keurige mantelpakjes. Nu hij erbij stilstond: zag hij haar niet ook eens in een stewardessenuniform, of had hij haar opgenomen in een toevallige droom? Hij lette al jaren niet meer op vrouwen, en het was nu alsof hij er voor het eerst weer een in zich opnam: de lijnen van haar heupen, de golf van haar hals, het begin van haar decolleté. Bijna vergat hij waarvoor hij kwam. ‘Ik stoor toch niet,’ zei hij, op een te haastige, bijna botte toon, voordat hij zich voorstelde. Ze heette Thera, een naam die paste bij haar slanke, tere voorkomen, dat hem ook niet eerder was opgevallen. En nee, natuurlijk niet, dat was geen probleem, om een weekendje voor zijn katten te zorgen.

Zijn geplande vlucht terug werd dat weekend tot nader order uitgesteld en hij werd ingecheckt op een andere vlucht naar huis, waardoor hij al op zondagavond landde. Toen hij de voordeur van zijn appartement opendeed, realiseerde hij zich geen moment dat zij er nog kon zijn: hij had haar alweer uit zijn hoofd gezet, zoals hij dat met alles deed wat afweek van zijn dagelijkse routine. Hij zag haar meteen. Halfnaakt, slechts gehuld in een doorzichtig niemendalletje, dansend en hardop zingend in zijn kamer, de planten begietend met iets wat het meest leek op witte wijn. Ze had een van zijn lievelings-cd’s opgezet, die ze uit zijn verzameling moest hebben gevist, en hij zag dat dat niet het enige was waarin ze had gesnuffeld: zijn appartement was een volslagen puinhoop. Hij sloot de deur nog voordat zij hem had gezien en vluchtte terug de gang op, de lift in en naar buiten. Daar leunde hij tegen de buitenmuur en ademde de frisse lucht in, terwijl hij probeerde te kalmeren. Wat bezielde dat mens? Hij had haar vertrouwd omdat ze degelijk en onberispelijk leek, en nu durfde ze zomaar zijn huis op stelten te zetten als een losgeslagen puber. Hij zou terug naar binnen gaan en haar eens flink de waarheid vertellen.
Maar toen hij bij de lift stond was hij niet meer zo zeker van zichzelf. Hij zag zichzelf al staan, in zijn pak, tegenover het halfnaakte meisje. Kon hij zich deze gênante vertoning niet beter besparen? Hij zou net doen alsof hij niets had gezien, morgen zijn sleutels terugvragen, haar bedanken en haar nooit meer vragen iets voor hem te doen. Hij ging terug naar buiten voor een lange avondwandeling.

De dagen daarna was het alsof hij na een veel te lange vlucht eindelijk begon te landen. Toen hij was teruggekeerd in zijn appartement, bleek alles keurig opgeruimd en hij durfde zelfs te denken dat hij niets gemerkt zou hebben als hij haar niet toevallig had gezien. Zijn aanvankelijke afschuw begon plaats te maken voor een stille bewondering. Had ze er niet prachtig uitgezien toen ze halfnaakt door zijn huis danste? Was het eigenlijk wel zo erg dat ze de orde had verstoord, of was hij haar dankbaar dat er eindelijk weer iemand was die daar inbreuk op had durven maken? Zijn inrichting kwam ineens kil, bijna naargeestig, op hem over en het verwonderde hem dat hem dat nooit eerder was opgevallen. Hij kreeg fantasieën. In plaats van weg te vluchten, ging hij naar binnen, gooide zijn veel te nette kleren uit en zonder iets tegen het meisje te zeggen, danste hij met haar mee, pakte hij haar in een zwierige draai bij de hand en drukte haar tegen zich aan.
Het duurde drie volle weken voor hij een beslissing nam. Toen ging hij naar de beste lingeriewinkel van de stad en zocht er een setje uit. Hij dacht lang na over de kleur. Zwart vond hij te statig, rood te frivool, blauw te braaf, geel te kinderlijk. Het werd lila. Lila lingerie, die perfect zou staan bij haar tengere figuur. Hij liet het mooi inpakken, in een doos met een enorme strik. Hij hing er geen kaartje aan, schreef niet zijn naam erop. Terug in de flat bleef hij in de hal bij de brievenbussen staan. Zijn ogen gleden gejaagd langs de verschillende nummers, alsof hij iets deed wat verboden was, waarbij niemand hem mocht betrappen. Maar hij aarzelde niet. Hij haalde diep adem en schoof het pakketje in haar brievenbus.