Dertig cent

3 augustus 2010

Ooit woonde ik boven de Boze Buurman en zijn zoon die niet zijn zoon was, die op een dag zo depressief raakte dat hij zich ontelbare keren van de trap liet vallen, iets wat ik gelukkig niet zelf heb gezien. Daarna zag ik Zoon niet zo vaak meer, en als ik hem zag, trilde hij van alle medicijnen die hij slikte en sloeg hij wartaal uit, zoals dat nieuwslezers op televisie zijn werkelijke vader waren, dat die hem geld stuurden en op een dag kwamen bevrijden. Ik luisterde altijd naar de verhalen van Zoon, ging zelfs een keer bij hem op de koffie, en daarna zette hij nog een paar maal een pak yoghurtdrink of een fles cola voor mijn deur, omdat hij het zo erg vond dat hij alleen koffie had kunnen serveren.
Op een dag verhuisde de Boze Buurman en verdween met hem ook Zoon uit het huis, waarna er een normale buurjongen onder me kwam wonen, wiens gekste belevenis was dat hij ooit met Oud en Nieuw in zijn bovenarm werd gestoken, toen hij in onze straat aan het pinnen was, en een vriendin van mij hem bij toeval al bloedend op de Eerste Hulp tegenkwam.
Zo’n anderhalf jaar geleden stond Zoon ineens weer voor mijn deur, hij belde lang en indringend aan en zei dat hij de hele nacht voor mijn deur had gestaan omdat hij me zijn levensverhaal wilde vertellen. Ook zei hij dat hij ’s nachts had gezwommen in het park en dat de politie hem had gevraagd wat hij de hele nacht voor mijn deur deed, waarop hij had gezegd dat hij ‘het huis bewaakte’. Toen ik hem vroeg hoe het met de Boze Buurman ging, keek hij me glazig aan.
Ergens was ik razend nieuwsgierig naar het levensverhaal van Zoon, maar ook herinnerde ik me de keer dat hij door vijf politieagenten uit zijn bed werd gelicht, en uiteindelijk scheepte ik hem af met een vriendelijk woord en dertig cent. ‘Sorry,’ zei ik. ‘Er is hier geen plek meer voor jou in het huis. Er woont nu een andere buurjongen.’
‘Aha,’ had hij toen samenzweerderig gezegd, ‘vast het geheime onderkomen van Alexander en Máxima. Maar die dertig cent die krijg je terug, dat zweer ik.’
‘Dat hoeft niet hoor,’ zei ik.
‘Jawel,’ zei hij. ‘Ik hou me altijd aan m’n beloften.’
Daarna verdween Zoon weer uit beeld, en ik stelde me voor hoe hij ’s nachts deuren bewaakte en in parken zwom en hoe hij dacht aan het levensverhaal dat hij niet had kunnen vertellen.
Vorige week zette ik mijn vuilniszak buiten, toen de eigenaar van het restaurant onder mijn huis me aansprak.
‘Je hebt een drankje tegoed,’ zei hij. ‘Het is al betaald.’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik.
‘Je oude buurjongen was hier,’ zei hij, ‘je weet wel. Hij wist niet meer wie ik was, maar jou herinnerde hij zich nog goed. Hij heeft een drankje voor je betaald.’
‘Echt waar?’
‘Ja. Hij zei dat je nog dertig cent van hem tegoed had. En je krijgt de hartelijke groeten.’